Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Vrijmetselaar naast de troon  


Koning Willem I omringd door zijn gezin en leden van de hofhouding. Prins Frederik: vierde van rechts. De koning heeft het in 1827 met de paus gesloten concordaat in zijn hand. Schilderij van J.L. Gouband, 1830. Copyright: Collectie Ministerie van Buitenlandse Zaken/ Uitgeverij Vantilt.


‘Het heeft den schijn alsof Gij, Koninklijke Hoogheid, Prins van Oranje, U wilt scheiden van Uw volk.’ Het katholieke dagblad De Tijd had in 1882 een grief jegens kroonprins Alexander: zich wel als nationale grootmeester laten zien in de Vrijmetselaarsloge, maar voortdurend verstek laten gaan bij Prinsjesdag. ‘Nu heeft Uw volk het recht en den plicht U te zeggen, dat het deze Uw gangen betreurt.’  

Het weinige dat bekend was van de beginselen en daden van het geheime genootschap was strijdig met de godsdienstige beginselen van het grootste deel der Nederlandse burgers. ‘Den katholieken onder Uw volk verbieden eer en geweten tot de Vrijmetselarij toe te treden.’ De combinatie was kwetsend voor het gehele Nederlandse volk. ‘Het meent beter aan het Huis van Oranje te hebben verdiend, het openbaar levend ontwijkend, werkzaam zou zijn in geheime bijeenkomsten, slechts toegankelijk voor ingewijden. In ’t open veld is de naam der Oranjes gewonnen, - die behoort niet in de Loge te loor te gaan.’ [1]

Op dat moment had de minister van Justitie de als kluizenaar levende kroonprins al schriftelijk gemaand. Een aanhoudende afwezigheid op Prinsjesdag zou een noodlottige indruk maken op het Nederlandse volk. ‘Hebben omstandigheden van Haar wil onafhankelijk, Uwe Koninklijke Hoogheid in de laatste jaren genoopt minder dikwijls op te treden dan zij zelve zou hebben gewenscht, algemeen was de verwachting dat dit jaar de plechtige opening van de Zitting der Staten-Generaal door Haar zou worden bijgewoond. Drukte Uwe Koninklijke Hoogheid nog onlangs het voetspoor van den onvergetelijken Prins Frederik, door openlijk als Grootmeester der Nederlandsche Vrijmetselaren op te treden, te meer vertrouwde men dat zij tegenwoordig zou zijn bij eene plechtigheid waarin het gansche Nederlandsche volk belang stelt en waarbij diezelfde Prins, niettegenstaande zijne hooge jaren, en de diepe smarten die ook hij te dragen had, nooit ontbrak.’ [2]

Diverse ministers trachtten de prins met persoonlijke bezoeken te overtuigen van de noodzaak zich publiek te tonen, maar Alexander bleef onvermurwbaar. Het probleem zat niet in de band tussen Oranje en Nederland, maar in Alexanders slechte relatie met zijn vader. Alexanders dood viel in 1884 grotendeels samen met de nierziekte van Willem III. Het koningshuis verdween daardoor uit het openbare leven. Zodra de rouw het toeliet ging koningin-regentes Emma na de dood van haar echtgenoot via diners en bezoeken in het land de band tussen Oranje en Nederland weer herstellen en gaf in ruimere mate gehoor aan de wensen van de publieke opinie. [3]  


Prins Frederik, gefotografeerd in functie als grootmeester Vrijmetselarij. M.M. Couvée Boekhandel, 1875. Copyright: Collectie orde van vrijmetselaren (CMC)/Uitgeverij Vantilt.


In dienst van het Koninkrijk

De open brief van De Tijd toont dat Alexanders grootmeesterschap van de Vrijmetselarij slecht lag bij in ieder geval het katholieke volksdeel. De ministers, gesteund door de publieke opinie zoals uitgedragen door de liberale pers, accepteerden dit leiderschap als gevolg van het gunstige precedent uitgedragen door prins Frederik. Onderstreept werd dat deze prins zijn publieke taken goed had vervuld. [4] Ton van de Sande, emeritus-hoogleraar in de Vrijmetselarij, heeft binnen de archieven van Cultureel Maçonniek Centrum ‘Prins Frederik’ het leven en werk van prins Frederik bestudeerd en voorzien van een historische context in een fraai geïllustreerd boekwerk.  

Prins Frederik blijkt niet uit vrije keuze grootmeester te zijn geworden, maar eenmaal in functie werd hij een toegewijd leider die veel tijd, geld en energie stak in de beweging. Het was meer dan een beschermheerschap. Door de initiatierituelen te ondergaan gaf hij Vrijmetselaars en buitenwacht te kennen dat hij de doelstellingen oprecht deelde. Volgens Van de Sande voelde de prins zich thuis in een wereld van rituelen die het bevorderen van de persoonlijke vrijheid van denken tot doel hebben. Vrijmetselaars zien leven en wereld niet als een vrijblijvende aangelegenheid, maar wensen uit innerlijke drang het gemoed van de mens en mensheid op een hoger peil te brengen. De Vrijmetselarij is een ‘stille leerschool van deugd en goede zeden’. Zij staat los van kerkelijke verbanden, maar kan wel spanningen oproepen met gevestigde religies. [5]

Prins Frederik aanvaardde het grootmeesterschap als trouwe en plichtsgetrouwe zoon van koning Willem I. Het was onderdeel van de koninklijke amalgapolitiek: na de samenvoeging van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden tot een Verenigd Koninkrijk in 1815 wilden de koning en zijn naaste adviseurs graag dat beide rijksdelen een hechte natie gingen vormen. Via de seculiere religie van de Vrijmetselarij kon de koning via zijn zoon bovendien grip krijgen op de overwegend katholieke elite in het zuiden. Er waren daar ontevreden geluiden dat men liever een hereniging met Frankrijk had gewenst. Willem I ondersteunde daarom het aangedragen idee om zijn zoon in de positie van vrijmetselaarsleider te manoeuvreren. ‘Daar mijn grootvader vrijmetselaar geweest is, zie ik geene zwarigheid, dat Frits het ook worde, te minder omdat de Nederlandsche Vrijmetselaars geen deel gehad hebben aan zekere nieuwigheeden, die gedeeltelijk in Duitschland hebben plaats gehad, en het een nationaal voordeel zijn kan, indien op die wijze de loges van het geheele land vereenigd worden onder eene generale directie, en de Zuid-Nederlanders op die wijze onttrokken worden aan de opperheerschappij van het Parijsche Groot-Oosten. Of Frits groote geneigdheid heeft het ligt te zien, weet ik niet, dog denke, dat hij geen zwarigheid maken zal zig te prêteeren tot al wat nuttig geoordeeld wordt.’ [6]

Het idee was ook niet nieuw: Napoleon Bonaparte had het lidmaatschap van de loge min of meer verplicht gesteld voor ambtenaren en militaire officieren. Willem I nam deze mensen over. Het was daarom belangrijk om grip te krijgen op de informele netwerken binnen zijn nieuwe Koninkrijk. Interessant is Van de Sande’s reconstructie: prins Frederik benoemde allerlei hoge ambtenaren van staat en militie in zijn ‘Loge Royale’ en bleef dit doen.   


Prins Frederik als grootmeester-nationaal van de Nederlandse Vrijmetselarij. Gravure van D. Sluyter naar een schilderij van H. Langeveld, 1817. Copyright: Rijksmuseum Amsterdam/ Uitgeverij Vantilt.


Pater familias

Van de Sande interpreteert de aangetroffen onderzoeksresultaten onder meer in het licht van het dynastieke streven van de Oranjes om zich zelf in het middelpunt van de Nederlandse staat te plaatsen en het internationale vorstennetwerk te gebruiken voor de Nederlandse politieke agenda. Met zichtbaar veel genoegen heeft Van de Sande tal van incidenten bijeen gesprokkeld: zij tonen dat prins Frederik ook los van zijn formele, grotendeels militaire functies betrokken was bij tal van politieke en dynastieke aangelegenheden. Volgens Van de Sande gebruikte de prins al zijn netwerken om op kritieke momenten de constitutionele monarchie te dienen. Dankzij de Vrijmetselarij had hij jong leren incasseren en een bruikbaar netwerk van mannen van kwaliteit verkregen. Onduidelijk in Van de Sandes reconstructie is echter wat precies de rol van de prins is geweest tijdens deze incidenten en wat zijn motieven waren behalve het fungeren van een soort van pater familias die de dynastie bij elkaar hield.  

Prins Frederik wordt omschreven als een rustige en fijngevoelige man die goed de ernst van de zaken doorzag en wiens mening daarom hoog werd geacht door leidinggevende personen binnen de Nederlandse en internationale elites. Deze personen waren niet blind voor Frederiks minder aardige kanten. Hij was timide, lui, besluiteloos en gierig. De prins toonde volgens hen te weinig zelfvertrouwen.  

Was Frederik de verstandige man die zelf door had hoe de Nederlandse constitutionele monarchie gediend moest worden, of had hij personen uit zijn netwerk nodig om dat te begrijpen en vervolgens te bemiddelen in de richting van zijn lastige familieleden? De weerspannige Alexander werd door prins Frederik persoonlijk voorgedragen als zijn opvolger bij de Vrijmetselarij. De beginselen van de Vrijmetselarij sluiten deels aan bij die van het Orangisme zoals beleden door de Oranjes zelf: ‘Zij kweekt verdraagzaamheid, betracht rechtvaardigheid, bevordert naastenliefde, zoekt op wat mensen en volken vereent, tracht weg te nemen wat de geesten en gemoederen verdeelt, en brengt tot hogere eenheid door het bewustzijn levend te maken van de allen verbindende broederschap.’ [7] Het is dus begrijpelijk dat Frederik en Alexander de Vrijmetselarij als persoonlijke leerschool ervaren hebben. Alexander was echter in 1882 iets wat Frederik nooit geweest was: de eerste in de lijn van troonopvolging. Alexander was kroonprins in een roerige tijd van roep om (nadere) grondwetsherzieningen, katholieke emancipatie en hergroeperingen van de orthodox-protestanten. Een combinatie van voorbereiding op een constitutioneel koningschap en leiderschap van de Vrijmetselarij was daarmee politiek controversieel aan het worden.  

Prins Frederik en prins Alexander hebben het belangenonderscheid tussen de Oranje-dynastie en de constitutionele monarchie kennelijk onvoldoende ingezien.    

 

N.a.v. Prins Frederik der Nederlanden, 1797-1881. Gentleman naast de troon. Door Anton van de Sande. Uitgeverij Van Tilt, 2015. ISBN 978 94 6004 122 8. 304 blz; E 32,50.   
    



[1] De Tijd, 5 december 1882.  
  

[2] KHA A49b-VIIc-71: A. Modderman aan prins Alexander, z.p. 15 september 1882. Gedeeltelijk geciteerd door Ton van de Sande, p. 18.  
  

[3] Irène Diependaal, Emma. Hoedster van Wilhelmina’s erfenis (z.p.2013), 150-155, 162-166, 213-244.  
  

[4] Algemeen Handelsblad, 6 december 1882; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 8 december 1882.  
  

[5] Anton van de Sande, Vrijmetselarij in de  Lage Landen (Zutphen 2001), 9-23. Anton van de Sande en Joost Rosendaal (red), ‘Een stille leerschool van deugd en goede zeden’ (Hilversum 1995), passim.  
  

[6] Van de Sande, Prins Frederik, 109.  
  

[7] Van de Sande, Vrijmetselarij in de  Lage Landen, 13. 



Dit artikel is geschreven op verzoek van de redactie van Protestants Nederland. Het is gepubliceerd in Protestants Nederland, mei 2017, 123-125.


"Frederik, Prins der Nederlanden. Opper-vlootvoogd, overste-generaal, opperveldtuigmeester". Prent van Théodore Fourmois, ca. 1831. Copyright: Rijksmuseum Amsterdam/Uitgeverij Vantilt.