Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Vorstentrouw   


In 1829 reisde Guillaume Groen van Prinsterer als Haags ambtenaar mee in het gevolg van koning Willem I tijdens reizen door de zuidelijke Nederlanden. Groen verzweeg in zijn uitgebreide verslagen niet dat de koning met zijn reis naar Vlaanderen een politieke bedoeling had: in dit gebied hadden liberalen en katholieken een opmerkelijke oppositionele unie tegen het koninklijk regime gesloten. Dit ondermijnde de consolidatiepolitiek om van de noordelijke en zuidelijke provincies een nationale eenheid te maken. De koning zocht daarom direct contact met katholieke groeperingen in verschillende sociale geledingen en peilde persoonlijk de stemming. Een tweede, meer verborgen doel was het pressie uitoefenen op de kiesgerechtigden en het beïnvloeden van nog komende verkiezingen. De regeringsgezinde bladen schreven dat de reis het karakter van een triomftocht had aangenomen. Cynisch schreef Groen dat het ook een gemakkelijk kunstje was om de volksgunst te ensceneren: vele koninkrijksambtenaren hadden dit onder Napoleon grondig geleerd. De koning kon vele overvloedige  bewijzen van ongeveinsde gevoelens van hartelijkheid ontvangen en zich als een vader tussen zijn kinderen voortbewegen. Een jaar later keerde het volk zich echter in razende muiterij tegen de persoon en het koninklijk gezag van Willem I.[1]  


Mr. G. Groen van Prinsterer. Kunstenaar: X.A.R. Brend'amour. Copyright: Nationaal gevangenismuseum.


Groens cynische visie is uitgewerkt in Nederlandse publicaties.[2] In Het verloren koninkrijk is daarover weinig terug te vinden. Els Witte concentreert zich juist op het perspectief van de zuidelijke Orangisten. Uit haar research blijkt dat Willem I niet eenmalig een kunstje uithaalde, maar kon rekenen op een draagvlak dat veel groter was dan tot voor kort door historici was aangenomen. Via een minutieus bronnenonderzoek heeft Witte een omvangrijke orangistische beweging gereconstrueerd die koning Willem I steunde en bleef steunen na de Belgische Opstand. Tijdens haar lange carrière als Brussels hoogleraar stuitte Els Witte in diverse archieven op vele nauwelijks gebruikte bronnen. Tot systematisch onderzoek in zowel Belgische als Nederlandse archieven en vergelijking tussen archivalia kwam het pas na haar pensionering. Steeds weer opnieuw ontdekte zij dat het noodzakelijk was dat zij met een andere bril moest kijken naar haar bronnen. In een kloek boek zijn haar resultaten in een boeiende, synthetische vorm gepubliceerd.  

In het Verloren Koninkrijk wordt geanalyseerd hoe de zuidelijke elite aan de vooravond van de Belgische revolutie in elkaar zat. Dankzij uniek bronnenmateriaal in met name het Haagse Koninklijke Huisarchief kon Witte reconstrueren hoe werd gecommuniceerd tussen Belgische Orangisten en de Nederlandse koning en de professionele apparaten in Den Haag en Brussel. In een uitgebreide reconstructie is de strijd om de Oranjetroon tijdens de revolutie verhaald. Nadat Leopold van Saksen-Coburg zich – in de ogen van de Orangisten – als een "usurper" meester had gemaakt van het Belgische koningschap bleef een omvangrijke orangistische beweging bestaan. Uit Witte’s reconstructie blijkt dat de orangistische achterban een heterogeen, maar wel elitair gezelschap was. Zij bestond uit leden van de oude adel, de bestuurlijke elite, personen die dankzij de financieel-economische politiek van Willem I rijk waren geworden, een liberaal georiënteerde intelligentsia, antiklerikalen en vrijmetselaars. Na 1830 werd het orangisme vooral in privékring met veel rituelen beleden. De orangisten bleven bijvoorbeeld koninklijke verjaardagen vieren. Het voormalig Brusselse paleis van de Prins van Oranje werd een pelgrimsoord waar koninklijke voorwerpen bekeken en gekust konden worden.  

Het paleis van de Prins van Oranje in Brussel. Copyright: Uitgeverij De Bezige Bij.


Het nieuwe Belgische regime wist dat ongeveer een kwart van de ambtenaren orangist was en vrijmetselaarsloges in de grote steden orangistische bolwerken waren. Koning Leopold kon alleen niet toestaan dat zijn Oranje-rivaal de beweging betrok in zijn politieke volhardingspolitiek. Koning Willem I financierde heimelijk de beweging terwijl zijn Haagse adviseurs en ministers anders adviseerden. De consequentie was een harde strijd tussen 1830 en 1840 die met kleurrijke details tot leven wordt geroepen. Het orangisme was een elitebeweging die bijeen werd gehouden via het verenigingsleven en een oranjecultus. Familiebanden zorgden voor een zekere sociale cohesie binnen de beweging. Ook via de ‘vorsteneed’, een juridisch beginsel, werd de beweging bijeengehouden: trouw aan de vorst aan wie de (ambts)eed was afgelegd. De beweging viel daarom pas uiteen met de abdicatie in 1840 en de dood van Willem I in 1843.  

Het spel was tien jaar lang echter zó hoog gespeeld, dat de strijd niet zomaar kon worden gestaakt. De afbouw van het orangisme was een langdurig proces dat vele jaren in beslag nam, meerdere fases kende en met vele interne conflicten gepaard ging. Koning Willem II nam na 1840 op zich nog een welwillende houding aan, maar de weerstand van zijn ministers en hoge ambtenaren was groot: het Belgisch orangisme moest beëindigd worden om de relaties tussen Nederland en België op staatsniveau goed te krijgen. Koppig en krampachtig hielden de hardliners onder de Belgische orangisten echter vast aan de eigen collectieve rituelen. Zij bleven vergaderen en rapporteren aan de Nederlandse koning. Terwijl het politiek draagvlak verder afbrokkelde, gingen de orangisten steeds meer gedesillusioneerd in een eigen wereld leven. Er was ook veel materiële schade: carrières waren gebroken en vele financiers van de volhardingspolitiek konden hun schulden niet meer vergoed krijgen.    

Els Witte heeft voor het eerst de historische achtergrond van de Belgische orangisten gereconstrueerd. Het waren niet alleen burgerlijke liberalen in de grote Vlaamse steden. De aanhang voor Oranje zat grotendeels bij de conservatieve, katholieke elite die trouw bleef als gevolg van de vorsteneed. Deze legitimisten dienden volgens Witte niet zozeer de Oranjes als dynastie, als wel het monarchale denken. De monarchie gaf in hun ogen legitimiteit, orde en stabiliteit aan het politieke regime en waarborgde de vrijheid omdat de vorst het algemene belang in plaats van de individuele belangen diende. Uit Witte’s uitgebreide, gedetailleerde reconstructie doemt tegelijkertijd een intrigerende tegenstelling tussen theorie en praktijk op. De legitimisten onder de Orangisten verzetten zich volgens Witte tegen de dreiging van tirannie en anarchie. Het is wellicht een Freudiaanse verspreking op bladzijde 365. Volgens de leer van Aristoteles verviel bij gebrek aan balans de monarchie in een tirannie, een aristocratie in een oligarchie en een democratie in een anarchie.[3] Als de orangisten zélf een elitegroepering waren, waar verzetten zij zich dan tegen? Voerden de orangisten strijd tegen de Belgische koning of tegen een Belgische oligarchie? Uit Witte’s reconstructie doemt indirect een beeld op van de restanten van een oligarchische elite, geworteld in het ancien regime, die de financiële steun aanvaardde van de Nederlandse koning om te komen tot een staatsgreep waarmee de leden herstel van oude bestuurlijke functies en handelsvoordelen beoogden. Eenmaal bevrijd van de vorsteneed viel de beweging uiteen. Maar konden individuele families zich op dat moment nog invechten bij de bestuurlijke elite zoals die zich gevormd had onder Leopold I? Als Leopold, grotendeels geparachuteerd door de Britten, zo weinig grip had op de orangisten binnen de bestuurlijke elite, hoe zat het dan met de eeuwenoude oligarchische praktijken in zijn land? Was het een juridisch beginsel of simpelweg een verlangen naar herstel van oude (bestuurlijke) functies die de Orangisten dreef? De beweging was waarschijnlijk weinig homogeen als gevolg van verschillende motieven en heterogene samenstelling. Witte’s detailrijke reconstructie doet echter vermoeden dat in ieder geval een aantal families in de oude en nieuwe elite te lang op het verkeerde paard hebben gewed en zich vervolgens rancuneus terugtrokken in eigen kring.  


Koning Leopold I in de jaren 1830, toen hij al het mikpunt was van orangistische aanvallen en spot. Copryright: Uitgeverij De Bezige Bij/Archief van het Koninklijk Paleis (KPT2124).


Het Belgische orangisme was overwegend elitair en katholiek. Opvallend genoeg was het daarmee het tegenovergestelde van het gemythologiseerde beeld van het Nederlandse orangisme: volks en protestants. Na 1830 ging de Belgische beweging ondergronds, terwijl in de noordelijke Nederlanden zich dankzij Isaac de Costa de protestantse claim ontwikkelde van 'God, Nederland en Oranje’. Deze claim was een typisch negentiende-eeuws product dat werd terug geprojecteerd op vroegere eeuwen. Een diep besef van verwevenheid tussen protestantisme, Nederland en het Oranjehuis werd door onderwijzers en dominees uitgedragen.[4] Kon deze claim niet mede ontstaan omdat Nederland na 1830 terugviel op de gebieden waaruit de Republiek had bestaan? Becijferd is dat tijdens het Verenigd Koninkrijk grote sommen geld van het zuiden naar het noorden vloeiden.[5] Het noorden kwam grotendeels protestants, maar ook financieel bankroet uit de volhardingspolitiek van Willem I.[6] Is het toeval dat de protestantse mythe tegelijkertijd ontstond met het terugverlangen naar de financieel rijke tijden van de Republiek?  

Els Witte nodigt met haar elegante en toegankelijk geschreven boek uit tot nadenken over wat precies het orangisme in België was en in Nederland had kunnen worden.   


N.a.v. Els Witte, Het verloren koninkrijk. Het harde verzet van de Belgische orangisten tegen de revolutie, 1828-1850. De Bezige Bij Antwerpen. ISBN 9789085425502 (gebonden)/978908426561 (paperback). Paperback: 29,99.    


  
  

[1] Guillaume Groen van Prinsterer, Schriftelijke nalatenschap. Uitgegeven door C. Gerretson en A. Goslinga (’s Gravenhage 1951) I, 406-412. Verslagen: I: 338-405, 442-514.  

[2] D. van der Horst, ‘Koning Willem I op reis’, in: H.M. Beliën, D. van der Horst en G.J. van Setten, Nederlanders van het eerste uur (Amsterdam 1996) 247-253.

[3] The Works of Aristotle (Chicago 1952, 27 ste druk 1977) II, 460-463.

[4] Joris van Eijnatten, ‘God, Nederland en Oranje’, Trouw 24 maart 2001. Joris van Eijnatten & Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum, 2 e verbeterde druk 2006) 261-263.  

[5] Lode Wils, ‘Het Verenigd Koninkrijk van Willem I (1815-1830) en de natievorming’, BMGN 112 (1997) 502-516, 508-509.  

[6] Irène Diependaal, Emma. Hoedster van Wilhelmina’s erfenis (z.p. 2013) 47-52. 


Dit essay review is geschreven op verzoek van de redactie van Protestants Nederland. Het is gepubliceerd in Protestants Nederland 81 (januari 2015) 22-24.