Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Het oor van de koning


Doop van prinses Wilhelmina door hofprediker Van Koetsveld in de Willemskerk te ’s-Gravenhage, 12 oktober 1880. Aquarel van O. Eerelman. Copyright: Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau.   


Op 25 april 2012 promoveerde Janneke de Jong-Slagman aan de Vrije Universiteit op een historische dissertatie over hofpredikers. Inmiddels is ook de handelseditie verschenen: Hofpredikers in de negentiende eeuw. De tekst van het proefschrift is ingedikt en toegankelijker gemaakt voor een groter publiek. De Jong-Slagman combineert een overvloed aan nieuwe biografische informatie over hofpredikers met een analyse van de aard van hofpredikerschap. Sommige predikanten blijken het ‘oor van de koning’ te hebben gehad, maar dat wil nog niet zeggen dat hun adviezen ook gevolgd werden.

Koning Willem I gebruikte de hofpredikers als onderdeel van zijn - mislukte - kerkpolitiek. De predikers verkeerden regelmatig in de directe omgeving van de politiek autoritaire koning en konden zich meten met ministers. In het functioneren van de Waalse predikant D. Delprat bespeurt de auteur sporen van een oude traditie: de hofprediker als een nobele ‘gezel’ van de koning.  

Delprats collega J. Dermout werd daarentegen een spreekbuis van predikanten in hervormde kring die bezwaren hadden tegen de politiek en persoonlijke handel en wandel van de koning. Na de Belgische afscheiding barstte een strijd los over de godsdienst van de koning. Een commissie van de Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, waarvan Dermout onderdeel uitmaakte, adviseerde de koning in een officieel rapport om een oud artikel weer in de Grondwet op te nemen: ‘de christelijk hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst’.  Dit artikel was in 1815 geschrapt met oog op de eenwording van de noord en zuid. Nu deze aanleiding was verdwenen: werd het niet tijd om het volk per Grondwet de garantie te bieden dat de vorst protestants bleef? Het verzoek werd afgewezen. Voor de liefhebbers reconstrueert Janneke de Jong-Slagman via uniek bronnenmateriaal uit het Koninklijk Huisarchief hoe Dermout  vervolgens een beroep op de koning deed. Het geloof van het Huis van Oranje was ‘een schild’ voor het protestantisme. Hij voorspelde een godsdienstige tweespalt binnen de natie als de koning ook zijn huwelijksplannen doorzette: ‘De Katholieken zullen voor hunnen hoogeren toon en grootere aanmatigingen een steunpunt zoeken in de belijdenis en den invloed van ’s Konings Gemalin.’  De uitkomst van alle commotie en pogingen van inspraak was dat de koning verdrietig en verbitterd tot besluiten kwam.  Na een abdicatie trouwde hij op 17 februari 1841, als ‘de Graaf van Nassau’, tijdens een sobere, interkerkelijke plechtigheid te Berlijn met gravin Henriëtte d’Oultremont.  

Met de abdicatie van Willem I ging het ook bergafwaarts met de invloed van de hofpredikers. Zij waren nadrukkelijk geen ‘hofpredikant’: het waren predikanten met een particuliere functie bij de koning. De koning had het recht iedere willekeurige persoon te benoemen. Een hofprediker kreeg een officiële benoeming aan het hof, maar bleef primair predikant binnen een Nederlandse  protestantse gemeente. Met smaak verhaalt De Jong-Slagman dat in een paar gevallen een officiële benoeming ontbrak. De koning bezocht openbare kerkbijeenkomsten, maar daarmee had de predikant niet het recht zich ‘hofprediker’ te noemen. Minutieus heeft de auteur alle betrekkingen tussen hofpredikers en het hof gereconstrueerd en is nagegaan wat de persoonlijke rol van de predikanten geweest kan zijn.  

Uit deze reconstructie volgt een ontnuchterende conclusie: onder Willem II en Willem III werd de rol van de hofprediker grotendeels teruggebracht tot het geven van koninklijk godsdienstonderwijs en het prediken tijdens speciale diensten ter gelegenheid van doopplechtigheid, belijdenis, huwelijk en koninklijke uitvaart. Koning Willem II zag af van een kerkpolitiek. Hij was geen trouw kerkganger.  

Met de regering van Willem III in 1849 trad een nieuwe fase in. De koning reorganiseerde het koninklijke huishouden en richtte een ‘Militair Huis’ in. Alle niet-militairen werden gerekend tot het ‘Civiele Huis’. Hofpredikers vielen onder het Civiele Huis, maar opvallend genoeg kwam het pas in 1853 tot officiële benoemingen. G. Ruitenschild was in 1849 al belast met de godsdienstige opvoeding van de koninklijke zoontjes, maar kwam in een paleisoorlog over educatieve uitgangspunten terecht. Willem III was achteraf denigrerend over Ruitenschild: zijn werkzaamheden waren slechts een sinecure geweest. De Jong-Slagman duidt dit als een oordeel over kwalitatieve verdiensten want uit haar reconstructie blijkt dat Ruitenschild kwantitatief omvangrijke, maar waarschijnlijk weinig gewaardeerde bijdragen leverde.  

Janneke de Jong-Slagman gebruikt de late officiële benoemingen als onderbouwing voor een hoofdstelling: het hofpredikerschap diende bij koning Willem III slechts als imagovorming. Hij stelde hofpredikers aan na felle publieke reacties op het pauselijke besluit om de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland te herstellen. De Waalse predikers kregen vervolgens weinig inhoudelijke taken, terwijl Ruitenschild bleef doen wat hij al deed voor 1853. In de ogen van De Jong-Slagman was het hofpredikerschap daarmee voornamelijk naar buiten gericht en stond het in het kader van de expliciete protestantse profilering van de koning en zijn hof.  

Een verdere onderbouwing van deze belangrijke, niet geheel geloofwaardige stelling wordt echter niet gegeven. Nergens blijkt uit haar betoog blijkt dat Willem III een rol claimde als protestants vorst. In 1898 ontving zijn weduwe Emma een persoonlijk schrijven. De Duitse keizer wilde zich aan het hoofd van de protestantse geloofsovertuiging stellen door persoonlijk de zojuist voltooide protestantse kerk in Jeruzalem in te wijden. Hij nodigde Emma uit deze opening bij te wonen. Na overleg tussen regentes en ministers kwam een gescheiden representatie tot stand. De Nederlandse protestantse kerken werden formeel gerepresenteerd door de Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Hofprediker Van der Flier ging naar Jeruzalem en kon de Duitse keizer een particuliere brief van Hare Majesteit overleggen.[2] De regentes volgde daarmee de grondwettelijke bepaling van de ministeriële verantwoordelijkheid. Dit geeft een aanwijzing waarom een eerdere nadrukkelijke opstelling van een ‘protestants hof’ niet geloofwaardig is: dit kon worden uitgelegd als inconstitutioneel. Willem III is door het weinig koningsgezinde Algemeen Handelsblad geroemd om zijn zuiver constitutionele opstelling als koning.[3] Van de koning zijn ook concrete uitspraken bekend dat hij boven de politieke en religieuze partijen wilde staan. Tijdens zijn eerste kabinetsformatie uitte hij, in een intern beraad, twijfels over het opheffen van ministerschappen voor de religieuze erediensten. Dit zou het ongenoegen van de publieke opinie opleveren en kon gevaarlijk zijn. Willem III deed een opmerkelijke uitspraak: ‘Ofschoon de grondwettige pligt als Koning van mij onpartijdigheid eischt, zal ik elk echter beseffen, dat de Historie van het Huis mij niet indifferent kan zijn. Hoop dat de Hemel mij beware, dat ik niet eenmaal partij zal moeten kiezen. Mijne voorvaderen hebben echter nooit het protestantisme in dien exclusieven zin uitgelegd, als nu vele heethoofden. Integendeel de essence van het Protestantisme is verdraagzaamheid. Ik zal dan ook altijd verdraagzaam wezen.’[4]

Willem III volgde de Grondwet en zijn voorouderlijke traditie, maar handelde waarschijnlijk ook in overeenstemming met de internationale code: onderscheid maken tussen de sterfelijke persoon en de koninklijke waardigheid die naar buiten toe vertegenwoordigd moest worden. De Jong-Slagman gebruikt – terecht – het werk van de Leidse hoogleraar Jeroen Duindam bij de begripsbepalingen van ‘het hof’.  Zij rekent de hofpredikers tot het "outer court’" omdat zij onderdeel uitmaakten van het ceremoniële hof van de koning. Met een verdere onderscheiding naar het voorbeeld van het Franse hof had zij kunnen duiden waarom Willem III waarschijnlijk weinig gevoelig was voor (zeden)preken: koning Lodewijk XV liet oude politiekreligieuze rites soms ongebruikt omdat hij als overspelige privépersoon niet in staat was tot de vereiste communie en confessie die samenhingen met het in openbaar getuigen van confessie.[5] Stadhouder Willem III toonde binnen Nederland een streng-calvinistisch gezicht, als Brits koning onderging hij een uitgebreid en praalrijk kroningsritueel binnen de Anglicaanse Kerk. Een Nederlandstalige kroningsprent uit 1689 legde alles zorgvuldig uit voor een niet-Engels publiek.[6]   

De Jong-Slagman duidt koninklijk gedrag in termen van imago opvijzelen terwijl het waarschijnlijk niet meer was dan rekening houden met de publieke opinie. Het is echter kinderachtig om dit rijke boek af te rekenen op dit soort intellectuele vergezichten uit de internationale hofcultuur en de politiek-institutionele geschiedenis want het is primair een studie binnen de religiegeschiedenis en geschiedenis van de Nederlandse natiestaat. De Jong-Slagman heeft een formidabele prestatie geleverd door nauwgezet vele archieven en grotendeels vergeten publicaties door te vlooien op zoek naar relevante feiten en dit bijeen gezet in een interessante beschouwing. Zij geeft een gezicht aan de negentiende-eeuwse hofpredikers en probeert via hun persoonlijke profielen de geloofsovertuiging van drie koningen en hun echtgenotes in kaart te krijgen. Ongetwijfeld zullen vele lezers op detailniveau een potje kunnen knikkeren over de houdbaarheid van een aantal geopperde waarschijnlijkheden.  Juist door de rijkheid aan nieuwe details zijn deze discussies mogelijk. Het boek is als naslagwerk een sieraad voor de boekenkast van geïnteresseerden in de Nederlandse monarchie en de religieuze geschiedenis.  



N.a.v. Janneke de Jong-Slagman, Hofpredikers in de negentiende eeuw. Een carrière bij de koning. ISBN 978-90-8704-372-8. E 29,-.


 [1] Irène Diependaal is de auteur van Emma. Hoedster van Wilhelmina’s erfenis. Zie Protestants Nederland, juli/augustus 2014.  

[2] Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, deel VI (1895-1898) 697-698, 705-706.

[3] Algemeen Handelsblad, 24 november 1890.

[4] C.B. Wels, “De formatie van het eerste ministerie-Thorbecke”, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 76 (1962), 263-317, 277-278.  

[5] Jeroen Duindam, Vienna and Versailles (Cambridge 2003) 136-140.  

[6] Bomann-Museum Celle, Reif fïr die Insel. Das Haus Branschweig-Lüneburg auf dem Weg nach London (Dresden 2014) 127.


Dit essay review is geschreven op verzoek van de redactie van Protestants Nederland . Het is gepubliceerd in Protestants Nederland 80 (november 2014) 239-241.