Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Een verenigd koninkrijk

 

John Bull, symbool voor Groot-Brittannië, drukt Napoleon op een door tsaar Alexander I gedraaide slijpsteen; een pijprokende Hollander ziet tevreden toe. Spotprent van William Elmes ter gelegenheid van de geallieerde overwinningen in maart 1814. Copyright: Uitgeverij Vantilt/Rijksmuseum Amsterdam.


‘De Schelde wordt door Engeland gezien als het pistool, dat Napoleon in 1809 op de borst van Engeland had willen richten om van Antwerpen een dodelijk schot te lossen. Bij den Vrede van Parijs in 1814 bedong dan ook Engeland terstond, dat Antwerpen niet anders mocht zijn in de toekomst dan een handelshaven. Dit gebod ging over in het verdrag van 1839.’

Zo sprak H.A. van Karnebeek in 1928 in zijn collegedictaten bestemd voor prinses Juliana. Na een inleidend college over de buitenlandse staatkunde, ging de voormalig minister van Buitenlandse Zaken uitgebreid in op de problemen die België veroorzaakte ten aanzien van de Nederlandse zelfstandigheidspolitiek. Van Karnebeek stuurde zijn collegedictaten in tweevoud óók aan het Kabinet der Koningin. De dictaten werden goed gelezen, becommentarieerd en koningin Wilhelmina gaf persoonlijk nadere instructies. Vervolgens werden zij opgeborgen in het Geheim Archief.

Wilhelmina schuwde niet schriftelijk haar mening te geven. Nederland had in 1814-1815, bij de vereniging van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, van de internationale mogendheden de verplichting gekregen om zekere vestingen in België in goede staat te onderhouden als bolwerk tegen Frankrijk. Deze verplichting was overgegaan op het zelfstandig geworden België. Ondanks Nederlands protest liet België tegen alle afspraken in weer oorlogsschepen over de Schelde varen. De voor Nederland gegarandeerde neutraliteit kwam in gevaar bij het schenden van dit uitgangspunt van internationale verdragsbepalingen. ‘Schijnt in B. vergeten’, zo noteerde Wilhelmina in de kantlijn.[1]

Wilfried Uitterhoeve belicht het Scheldeprobleem nader in Een innige vereniging. Naar één Koninkrijk van Nederland en België in 1815. Hij beschrijft hoe Nederland dankzij met name Britse inspanningen binnen de internationale vredesonderhandelingen een koninkrijk kon worden met een verdubbeld grondgebied. In een half chronologisch, half thematisch opgezet verhalend betoog beschrijft Uitterhoeve hoe vier Europese mogendheden -  Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland - noodgedwongen bondgenoten waren geworden in een poging om de oorlogszuchtige Franse keizer Napoleon op de knieën te krijgen. Tussen alle strijd door werd nagedacht hoe, na een Franse nederlaag, de Europese kaart opnieuw getekend moest worden. Willem Frederik, erfprins van Oranje-Nassau wist in deze situatie niet alleen een restauratie van oude dynastieke rechten te bewerkstelligen, maar ook een dubbel zo groot grondgebied en een door de mogendheden gesanctioneerd soeverein koningschap in de wacht te slepen.

Uitterhoeve beschrijft het internationale krachtenspel waarin het samenvoegen van de gebieden van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden tot stand kon komen. In introducerende vorm bespreekt Uitterhoeve de diverse kwesties die speelden bij het herinrichten van de Europese geografische kaart en hoe het Koninkrijk der Nederlanden daaruit kon verrijzen. Het boekje is bijzonder fraai verlucht met uitgebreid kaartwerk en geeft via portretten de historische hoofdrolspelers een gezicht. Historische spotprenten tonen op eigen wijze een verhaal. De noordelijke Nederlanden werden bijvoorbeeld in een Britse prent opgevoerd als een pijplurkende, boertige figuur die tevreden staat toe te kijken hoe ‘John Bull’ (Groot-Brittannië) Napoleon op een slijpsteen drukt die door tsaar Alexander I draaiende wordt gehouden. Op een andere prent knipt een Hollander nog snel even een stuk ‘Nederlanden’ uit de jurk van de toegetakelde Franse Maagd terwijl de Pruis Blücher er met haar geldbuidel vandoor gaat.[2]


De Franse Maagd toegetaked in het overleg voor de tweede Vrede van Parijs, na de slag bij Waterloo. Een Hollander knipt een stuk 'Nederlanden' uit haar jurk. De Pruis Blücher eigent zich haar geldbuidel toe. Verder van links naar rechts Franz I, Alexander I en Wellington, in de weer met het boeien van de Maagd. Spotprent van George Cruikshank, november 1815. Copyright: Uitgeverij Vantilt/Rijksmuseum.


Vanuit een neutraal standpunt beoogt Uiterhoeve een introducerend verhaal te vertellen en laat een notenapparaat achterwege. Hierin zit de zwakheid van het boek want zelfs citaten worden niet onderbouwd. 200 jaar lang zijn er historiografische controverses geweest rond het nieuw verworven koningschap van de Oranjes. Uitterhoeve vermijdt deze controverses en komt met stellingen en citaten die niet onderbouwd worden. Bijvoorbeeld de heikele kwestie dat Willem I zichzelf op 16 maart 1815 tot koning proclameerde voordat dit per formeel verdrag tijdens het Congres van Wenen was geregeld. Op 30 mei 1814 was in het Verdrag van Parijs slechts een halve basis gelegd: ‘Holland, geplaatst onder de soevereiniteit van het Huis van Oranje, zal een gebiedsuitbreiding krijgen. De titel en de uitoefening van de soevereiniteit zullen in geen geval kunnen toevallen aan enige vorst die drager is van een vreemde kroon of daartoe geroepen is.’[3]

Uitterhoeve stelt simpelweg dat de Oranje-vorst half februari 1815 van Britse kant de toezegging kreeg dat hij zich ‘koning der Nederlanden’ mocht gaan noemen. Met de terugkeer van Napoleon uit zijn ballingsoord Elba kwam de zaak vervolgens in een stroomversnelling: binnen Nederland wilde men niet wachten op de internationale post terwijl Napoleon met zijn militaire troepen naderde. Willem I proclameerde zichzelf daarom tot koning aan de vooravond van de Slag bij Waterloo. Alle gemor verstomde op het moment dat de Prins van Oranje zich militair wist te onderscheiden in de slag bij Quatre Bas en daarbij bovendien zelf gewond raakte.[4]

De volgende stap was een vernieuwde Grondwet voor het verenigde koninkrijk. Een nieuwe grondwetscommissie trad aan op 3 mei 1815. Uitterhoeve gaat daarop nauwelijks in en doet een paar heikele kwesties af met een niet-onderbouwde stelling. Bijvoorbeeld: ‘Een andere toegeving - maar met volle instemming van de koning - was de schrapping van de bepaling dat de koning de gereformeerde (de Nederlands Hervormde) godsdienst moest belijden.’[5]

De belangrijke meerwaarde van Uitterhoeve’s boek ligt vooral in het perspectief: het Koninkrijk der Nederlanden werd door de buitenlandse mogendheden gewenst om te dienen als geografisch bolwerk tegen Franse agressie en als onderdeel van een nieuw machtsevenwicht binnen Europa. Dit is oud nieuws, maar Uitterhoeve weet dit met fraai kaartwerk en nadere aandacht voor militaire verdedigingskwesties te illustreren. Een belangrijke vraag wordt niet beantwoord: waarom was Groot-Brittannië bereid om de dynastie Oranje-Nassau niet alleen in het zadel te krijgen, maar de eigengereid optredende ‘Willem VI’ - die zich allesbehalve populair had gemaakt in Britse regeringskringen - ook te helpen aan een veel groter grondgebied dan de dynastie via historische rechten kon claimen?

De Scheldekwestie is geen onderdeel van een doorwrochte analyse, maar slechts beschreven in een kader: Napoleon bouwde de haven van Antwerpen om tot een marinehaven en zette zo ‘een pistool op de borst van Engeland’. Een Engelse invasie in Zeeland in 1809 was bedoeld om dit pistool onklaar te maken.[6] Uitterhoeve heeft niet onderzocht in hoeverre de Schelde-kwestie kan verklaren dat de Britten graag het gehele gebied rondom de Schelde in één verenigd koninkrijk wilden samenballen nadat er al eeuwen politiek-militaire problemen waren geweest. Deze problemen bleven tot ver in de twintigste eeuw bestaan.

Uitterhoeve mist een tweede aanknopingspunt. Willem I moest de Nassause erflanden afstaan, maar kreeg Luxemburg als compensatie. Luxemburg ging deel uitmaken van de Duitse Confederatie. Willem I werd koning der Nederlanden, maar óók speler binnen de Duitse statenbond. Iets soortgelijks gebeurde met het oude keurvorstendom Hannover: het werd én fors uitgebreid én een koninkrijk. Het kwam daardoor op de vierde plaats binnen de Duitse Confederatie te staan. Via de vereniging van kronen, een dubbelkoningschap voor George IV, kreeg de Britse politieke elite daardoor een machtige positie binnen de Duitse Confederatie en gebruikte deze decennialang ook goed.[7] Uitterhoeve mist dat Hannover samen met Pruisen de belangrijkste buurman van Nederland aan de oostgrens werd. De Britten wilden waarschijnlijk een betrouwbare bondgenoot. Maar was Willem I dat?

Uitterhoeve heeft een leuk en informatief introductieboek bijeengesprokkeld uit de literatuur en wat gepubliceerde bronnen. Hij komt met belangrijke thema’s die Jeroen Koch in zijn recente biografie over Willem I heeft laten linksliggen. De vraag rijst daarmee wat Uitterhoeve beoogd heeft. Waarom verschijnt het boek pas anderhalf jaar nadat de herdenking van 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden van start is gegaan?

Eerder schreef Uitterhoeve over het Koninkrijk Holland en ‘vrijwordingsjaar’ 1813.[8] Els Witte hield zich duidelijk in bij het schrijven van haar boek over het Belgisch orangisme.[9] Het lijkt erop dat de koningsbiografen jarenlang de historische wereld in een wurggreep hielden. Alle onderzoeksgelden waren voor hen bestemd, maar zij schreven zonder substantieel bronnenonderzoek en historiografische analyse slechts persoonsverhalen. Koch én Uitterhoeve baseren zich voornamelijk op bronnen die aan het begin van de twintigste eeuw door H.T. Colenbrander zijn bijeenbracht. Colenbrander hanteerde echter een tunnelvisie bij zijn selectie.[10] De nationalistische historicus publiceerde zelf in1927 de inmiddels zwaar verouderde monografie Vestiging van het Koninkrijk (1813-1815). Sindsdien zijn internationaal de archieven verder opengegaan.

Uitterhoeve’s fraaie, maar historiografisch dunne boekje toont pijnlijk dat Jeroen Koch belangrijke bronnen, secundaire literatuur en historiografische thema’s heeft genegeerd. Wij vieren 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden, maar substantieel vernieuwend historisch onderzoek naar het hoe en waarom de vestiging van de nieuwe staat is niet verricht.

 

N.a.v. ‘Een innige vereniging’. Naar één koninkrijk van Nederland en België in 1815. Door Wilfried Uitterhoeve. Uitgeverij Vantilt, 2015. ISBN 9789460042058; 157 blz.; 19,95.


    

[1] NL-HaNA, KdK, 1898-1945, toegangsnummer 2.02.14, inv.nr. 9013.

[2] Een innige vereniging, 83, 96.

[3] Een innige vereniging, 70.

[4] Een innige vereniging, 113-124.

[5] Een innige vereniging, 130.

[6] Een innige vereniging, 103-108.

[7] Wolf D. Gruner, “England, Hannover und der Deutsche Bund 1814-1837”, Adolf M. Birke & Kurt Kluxen (ed), England und Hannover (München 1986) 81-126.

 [8]  Koning, keizer, admiraal. De ondergang van het Koninkrijk Holland  (2012); 1813 – Haagse bluf (2013).

[9] Zie Protestants Nederland, januari 2015.

[10] Hans de Valk, ‘“Eene geschiedenis door bescheiden”. De Gedenkstukken van H.T. Colenbrander nader beschouwd’, Theoretische geschiedenis 17 (1990) 411-430.



Dit artikel is geschreven op verzoek van de redactie van Protestants Nederland. Het is gepubliceerd in Protestants Nederland 81 (augustus/september 2015) 204-207.


Kaartwerk uit Een innige vereniging:

Europa in 1789. Copyright: Uitgeverij Vantilt/Buro Gom (cartografie), Arnhem.



Het Franse Keizerrijk in 1812. Copyright: Uitgeverij Vantitl/Buro Gom (cartografie), Arnhem.