Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Fragment uit Emma - Hoedster van Wilhelmina’s erfenis


‘De jonge man, op wien de keizer steunde, was Willem, de oudste zoon van Wilhelmus den Rijken, graaf van Nassau, een “Protestantsch” vorst. In 1533 geboren, was hij in 1544 de erfgenaam geworden van zijn oom René van Chalon, prins van Oranje (in ’t zuiden van Frankrijk), die vele bezittingen en eene waardigheid in de Nederlanden bezat. De keizer had dit goed gekeurd, mits de jonge prins aan zijn hof in den katholieken godsdienst werd opgevoed. Daardoor misschien is juist Willem van Oranje de verdraagzame vorst geworden, die hij later was en die het aan ieders eigen geweten wilde overlaten, welken godsdienst hij kon en wilde belijden. Karel V, wiens page de prins was, tot hij ridder en zelfstandig man werd, hield veel van hem. Hij was vrolijk, zelfs lichtzinnig als onder de jonge edelen aan het hof niet anders kon, maar tevens was hij schrander en zeer bekwaam, zoodat zijne inzichten en meeningen hoog gewaardeerd werden, terwijl hij in de kunst van het zwijgen – wat niet moet worden verteld – een meester was. Later is de prins bekend geworden onder den naam “den Zwijger”, dien niet iedereen als een eernaam beschouwde, maar waaraan de Nederlanders hooge waarde hechten.’

 

De kleine prinses Wilhelmina hield van geschiedenislessen en al helemaal van heroïsche verhalen. Onderwijzer F. Gedeking hield in schriften minutieus bij wat hij het nog geen tien jaar oude kind vertelde. Haar vader was ernstig ziek, maar aan Wilhelmina ging deze misère grotendeels voorbij. Met veel historische platen en voorwerpen werd zij op levendige wijze ingewijd in de lessen van het verleden en voorbereid op een minstens even grote toekomst waarin zij als troonopvolgster haar land moest gaan dienen in de traditie van haar grote voorvaderen. De toekomstige koningin luisterde vooral met interesse naar romantische verhalen over ridders in harnassen en jonkvrouwen. Zij had groot medelijden met mannen die een zwaar harnas moesten dragen, stelde leergierig veel vragen en luisterde met belangstelling naar de verhalen over haar grote voorvader wiens bronzen standbeeld vóór het paleis de wacht hield en symbool stond voor de naam en de eer van de dynastie die het jonge meisje hoog moest gaan houden.

Iedere keer als Wilhelmina met haar moeder terugkwam van een rijtoer door Den Haag stonden drommen mensen verzameld rond het bronzen standbeeld van Willem de Zwijger om met ‘grooten opgewondenheid den kostbare schat, het kind van staat’ toe te juichen. Koningin Emma had in hun ogen een belangrijke taak: haar dochter met een schare aan deskundigen voorbereiden op haar toekomstige ‘groote taak’.

De vaderlandse geschiedenis vormde een belangrijk onderdeel van het onderwijsplan dat koningin Emma had opgesteld. Via geschiedenisonderwijs moest Wilhelmina ‘het Nederlandsche volk in zijn neigingen en ontwikkelingen’ leren begrijpen en ‘Hare verhouding tot dat volk’ goed leren inzien. Koningin Emma zag de vaderlandse geschiedenis als een bijzonder geschikt leermiddel bij de karaktervorming van haar dochter. Nadrukkelijk selecteerde zij aankomende docenten op hun staatkundige en religieuze ideeën en liet hun weten dat gezien de aankomende taak haar dochter ‘zoo onpartijdig mogelijk’ voorstellingen moest krijgen van wat er op staatkundig en religieus gebied had plaatsgevonden.

Vanaf januari 1889 werd Wilhelmina door onderwijzer Gedeking in een serie privélessen ingewijd in de geschiedenis van haar grote voorvaderen en hun relatie met de ontwikkelingen in haar vaderland. Aan het begin van de serie lessen op het niveau van de lagere school werd eerst haar eigen toekomstige positie uiteengezet: een vorst was het beste hoofd van het bestuur van een land omdat hij of zij werd opgeleid met het doel eens te gaan regeren. Maar afkomst verplichtte! ‘Een vorst is ook veel meer verplicht, alles te doen wat in zijn vermogen is voor ’t welzijn des volks: “De roem onzer voorvaderen is de onze niet, tenzij wij hen navolgen”.’

Aan het einde van een lange serie lessen, die liep van de Germanen naar de vaak moeilijke perioden onder de Oranjekoningen in de negentiende eeuw, werd de kroonprinses ook het voorbeeld van haar eigen vader voorgehouden. Het was te wensen dat de regering van Willem III nog lang zou duren want er was nog veel te verbeteren in Nederland. De prinses werd daarom ‘zorgvuldig en standvastig opgevoed’ zodat zij ‘voldoende kennis maar vooral een helder hoofd en een warm, edel hart moge verwerven, zodat Nederland eene schoone toekomst tegemoet gaat.’ Onderwijzer Gedeking vertelde Wilhelmina dat haar vader bij zijn inhuldiging een plechtige belofte had afgelegd: ‘ik verbind mij aan een volk, grooter in deugden dan in de uitgestrektheid van zijn grondgebied.’ Volgens de onderwijzer waren in het verleden veel afkeurenswaardige zaken voorgevallen, maar ‘er is ook zeer veel edels en groots in; en de geschiedenis der meeste volken is zoo vol bloed en tranen, dat wij op onze voorvaderen trotsch mogen zijn. Maar ook: “de roem onzer vaderen is de onze niet, indien wij hen niet navolgen.” Vooral wie tot het Huis van Oranje behoort, heeft zoovele groote voorbeelden, dat het “Noblesse Oblige” (Adeldom legt plichten op) tot ernstige beoefening van al wat goed is moet leiden. De Koning heeft ook eens gezegd: “Een Oranje kan niet te veel voor Nederland doen.” Ten gevolge der geschiedenis zullen er maar weinigen zijn, die dit niet beantwoorden met: “Nederland kan niet genoeg voor Oranje doen.” Waar, door tekortkomingen van beide kanten, tijdelijk de liefde voor ’t Oranjehuis werd uitgedoofd, kwam die later altijd weer boven. Nederland en Oranje moeten éen blijven.’

De toekomstige koningin werd daarmee een zware plicht op de smalle, jeugdige schouders gelegd: zij moest de roem van zowel haar voorvaderen als de nog levende koning zien te evenaren. Als ‘eene vorstin van Oranje werkzaam’ moest zij gaan ‘streven naar ’t geluk des volks, met wil en krachtheid.’ Juist als grondwettig vorst, met een goed afgebakende weg van wetten, zou zij daarvoor de meeste vrijheid hebben: ‘Hulp verleenen, waar die noodig is; flinke ondernemingen helpen tot stand brengen; arbeid aanmoedigen en steunen, voorgaan in alles wat goed en schoon is.’ Dat alles zou, buiten de regeringswerkzaamheden, ‘een welbesteed leven’ geven.

Dynastieke eer in combinatie met plichten en verantwoordelijkheden van een rechtvaardig regerend vorst stonden centraal in het onderwijs. Gedeking vertelde Wilhelmina een geschiedverhaal waarin de grote daden van de historische Oranjes tot hun recht kwamen, maar ook kritisch werd gekeken naar hun positieve en minder positieve kanten. De lessenreeks werd een verhaal van de Oranjestrijd tegen de ‘onderdrukking der vrijheid van geweten’ en de moeizame oorlogen waarin het vaderland betrokken raakte. Na de ‘Fransche invloed’ kwam in 1813 de ‘dageraad der vrijheid’ toen het volk massaal om ‘Oranje boven’ vroeg.

Aan de jeugdige Wilhelmina vertelde onderwijzer Gedeking hoe belangrijk de samenhang tussen de terugkomst van de Oranjes in 1813 en de komst van een nieuwe grondwet was geweest: haar overgrootvader had de soevereiniteit en daarmee de hoogste macht binnen Nederland aanvaard op voorwaarde dat er een ‘wijze constitutie’ zou komen. Dankzij een vraag van de geïnteresseerd luisterende prinses kon Gedeking benadrukken dat ‘zulk eene wet een geluk is voor vorst en volk beiden: voor den vorst, opdat hij niets doet, wat als iets goed bedoeld, later tot zijn spijt heel verkeerd zou kunnen blijken; voor het volk, omdat het daarvoor juist weet, wat het kan en moet doen. Dat is noodig, om vrij te zijn; want vrijheid bestaat niet daarin, dat men kan doen wat men wil, maar in ’t niet anders willen dan men kan en mag. Ook in huis bestaat eene grondwet, maar ongeschreven; en eene kind, dat zich vrij en gelukkig wil gevoelen, moet juist dat leeren willen, wat het volgens die grondwet mag.’ De lange vrede die het land tijdens de regering van haar vader, koning Willem III, had gekend was vooral het resultaat van de Grondwet en zijn langdurige geschiedenis. ‘Deze koning, noch iemand anders, heeft de inrichting der landsregering gemaakt; zij is door den tijd zoo geworden, gegroeid. Er zijn tijden geweest, waarin het heel anders was; en als we nu geschiedenis leeren, dan moeten we leeren kennen, hoe het dan in vroegere tijden was en waardoor zo langzamerhand alles is veranderd. Leeren we, wat er geschied is met en in ons land alleen, dan heet het geschiedenis van ons vaderland, vaderlandsche geschiedenis.’

De cursus was nauwelijks ten einde toen Willem III in december 1890 definitief zijn ogen sloot. Koningin Emma kreeg daarmee voor acht jaar een dubbele taak: namens Wilhelmina de regering waarnemen en tegelijkertijd zorgen dat haar dochtertje op haar achttiende verjaardag klaar was voor het koningschap. Anders dan haar leeftijdgenoten in de hogere standen kreeg de jonge koningin niet alleen een spoedopleiding op HBS-niveau, maar ook van zorgvuldig geselecteerde hoogleraren onderwijs in speciale vakken die haar moesten voorbereiden op het koningschap. Gezien het grote staatsbelang van het koninklijk onderwijs moest een speciaal in het leven geroepen Raad van Voogdij onder meer met alle benoemingen van docenten instemmen. 

De Leidse universiteit was door Willem de Zwijger gesticht en vormde sindsdien een belangrijk opleidingscentrum voor de bestuurlijke elite, waaronder de Oranjes zelf. De leden van de Raad van Voogdij fronsten dan ook de wenkbrauwen bij de benoeming van de universitaire docent voor het geschiedenisonderwijs: niet R. Fruin maar de Utrechtse hoogleraar F.J.L. Krämer werd door koningin Emma voorgedragen. Fruin was in 1860 als eerste benoemd tot hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis in Leiden en had een nieuwe, verzoenende visie op de vaderlandse geschiedenis ontwikkeld. Hierin gaf hij een verklaring voor het negentiende-eeuwse Oranjekoningschap na eeuwen van republikeinse staatsvorm en strijd tussen verschillende bevolkingsgroepen. De constitutionele monarchie was in Fruins geschiedenisverhaal de logische uitkomst van de rol van de Oranjes in de zestiende-eeuwse Nederlandse Opstand. Onder leiding van ‘Vader des Vaderlands’ Willem van Oranje hadden de Nederlanders tijdens de ‘Tachtigjarige Oorlog’ het Spaanse juk afgeworpen. Als Republiek der Zeven Verenigde Provinciën was een zelfstandige staat ontstaan die economisch gezien de eerste viool binnen Europa kon gaan spelen tijdens ‘De Gouden Eeuw’. Daarbinnen bestond een eminente rol van de Oranjes als stadhouders. Fruin omschreef de Republiek als een periode van grootheid, maar tevens als een gemiste kans van nog méér grootheid. Bij een beter staatsbestel en meer invloed van de Oranjes was meer mogelijk geweest.

Het was een geschiedenisverhaal met een oorsprongsmythe zoals de koningsgezinde elite graag zag. Bovendien had Fruin prins Alexander, de in 1884 overleden halfbroer van koningin Wilhelmina, persoonlijk onderwezen. Koningin Emma voorzag kennelijk dat haar benoeming op zijn minst bevreemding zou oproepen en riep tijdig de secretaris van de voogdijraad bij zich. Zij vertelde J. Röell dat zij zich er van bewust was dat Fruin grote verdiensten had. Zij wilde graag dat hij in de toekomst de koningin zou gaan onderwijzen in ‘de philosophie der Geschiedenis, in het bijzonder der vaderlandsche’. Wilhelmina was echter nog erg speels. Zij liep niet achter bij leeftijdgenoten, maar was nog te jong om ‘voldoende nut te trekken’ van Fruins onderwijs en het ‘naar behooren te waardeeren’. Na een interne discussie kon de voogdijraad Emma’s standpunt waarderen. Professor Krämer stond als ‘mensch en als docent’ gunstig bekend en had bovendien als voormalig gymnasiumdocent ervaring in het geven van onderwijs aan meisjes van Wilhelmina’s leeftijd.

Secretaris Röell ging Fruin zelf vertellen wat er gebeurd was. Trots noteerde Fruin voor zichzelf dat er weliswaar binnen de voogdijraad geen bezwaar was geweest tegen zijn Utrechtse collega, ‘maar dat ik de aangewezen man zou zijn geweest’. Koningin Emma zou dit gevoel gedeeld hebben en zij zou hem nog aanspreken om de ‘wijsbegeerte der geschiedenis met de K. te behandelen’. Röell had de koningin-regentes daarbij geïmiteerd: koningin Emma had gesproken over ‘waisbegeerte’.

Fruin was dan ook niet verbaasd toen hij in 1894 bezoek kreeg van de particulier secretaris van koningin Emma, S.M.S. de Ranitz. Fruin liet zich echter niet zo gemakkelijk vangen. De Ranitz vertelde hem dat de regentes voor de koningin ‘de best aangeschreven hoogleeraar in elk vak’ wenste, maar deze stroop was verspild aan Fruin. De Leidse kamergeleerde had helemaal geen zin om afwisselend binnen het Loo, op paleis Soestdijk en in Den Haag te gaan lesgeven. De Ranitz moest gaan rapporteren aan koningin Emma dat Fruin ‘zeer beslist’ in zijn antwoord was geweest. Schriftelijk berichtte De Ranitz tot zijn ‘leedwezen’ dat ‘hoewel de Heer Fruin in hooge mate gevoelig was voor de eer welke hem door Uwer Majesteits keuze ten deel viel’, hij er niet in geslaagd was om Fruin te overtuigen. De Leidse leermeester zag zichzelf als gevolg van zijn ‘hooge leeftijd’ niet in staat om ‘aan de oproeping van Uwe Majesteit gevolg te geven’. Om dezelfde reden had Fruin ook geweigerd om zich kandidaat te stellen voor de Eerste Kamer. Krämer was bovendien in staat om goed onderwijs te geven in de vaderlandse geschiedenis: ‘zeker even goed als hij zelf’.

Koningin Emma liet het daar echter niet bij zitten en riep de recalcitrante Fruin op voor een audiëntie op 25 juli 1894. De weinig reislustige Fruin moest naar paleis Soestdijk afreizen om aan deze eer te voldoen. Fruin kreeg echter alles behalve spijt want de koningin was zeer openhartig tegen hem. Uitgebreid vertelde zij hem dat zij weinig zag in Fruins voorstel om Krämer na algemene geschiedenis ook de lessen in de vaderlandse geschiedenis te laten geven. Zij wilde namelijk graag meerdere docenten opdat haar dochtertje meerdere visies op de geschiedenis zou horen. ‘Ik behoef u niet te zeggen dat de kring, waarin wij hier leven, een gesloten kring is, waarin begrippen, die elders gangbaar zijn, moeilijk doordringen, en de meeningen, die wij koesteren, weinig tegenspraak ontmoeten. Dat kan om eens niet anders. Maar daarom is het wenschelijk dat zulk een eenzijdigheid bij het onderwijs wordt vermeden, en dat over de geschiedenis althans verschillende opvattingen en inzichten worden gevormd. Het heeft mij dan ook zeer gespeten dat u het onderwijs niet op u hebt durven nemen, het ware mij een grote teleurstelling.’

Fruin twijfelde even na deze vriendelijke mededeling die zonder een zweem van verwijt werd uitgesproken, maar bleef bij zijn standpunt: tien jaar eerder zou hij de onderwijsopdracht als een grote eer aanvaard hebben, maar in het belang van de koningin moest hij plaatsmaken voor jongeren. Koningin Emma incasseerde deze afwijzing en nam de gelegenheid om met Fruin van gedachten te wisselen over wat goed was voor de jonge koningin. ‘Zij had zoo weinigen in haar omgeving, zei zij, die zij raadplegen kon.’ De regentes vertelde Fruin dat zij regelmatig Krämers lessen bijwoonde en daarom zelf kon zien dat Wilhelmina intelligent was. Haar belangstelling was echter niet altijd even groot. Zij luisterde aandachtig naar politieke zaken, probeerde zich de historische toedracht voor ogen te halen en prentte ze in haar geheugen. Zij betrok echter te veel zaken op zichzelf. ‘Zij vraagt zich telkens af: hoe zou ik hebben moeten handelen als ik in dat geval had verkeerd. En uit dat oogpunt beoordeelt zij de handelende personen en spreekt dat oordeel ook uit. De heer Krämer liet haar dat erg doen, maar als hij haar oordeel onjuist vindt, laat hij haar zien dat zij niet gelet heeft op hetgeen aan den anderen kant in aanmerking behoort te komen. Dat is juist wat ik verlang.’

Lange tijd spraken de regentes en Fruin vervolgens over tal van onderwerpen. Achteraf kon Fruin het zich niet allemaal meer herinneren, maar hij bleef achter met een zeer positieve indruk van koningin Emma. Ze sprak rad – ‘meestal Hollandsch; een enkele maal kon zij het rechte woord voor haar gedachte niet vinden en sprak dan een paar zinnen in het duitsch, maar meer ook niet’ – over haar plannen. De regentes stond in Fruins ogen een methodische vorm van onderwijs voor die eerder aansloot bij de Duitse dan de Nederlandse smaak. Zij had bijvoorbeeld precies nagedacht hoeveel onderwerpen in welk tijdbestek behandeld moesten worden en was streng in het dagelijkse tijdschema. ‘Geen hersenspanning langer dan drie kwartier, “dan moet zij er uit in de lucht, of zij wil of niet.”’

Na een lang gesprek stond koningin Emma eindelijk op en dankte Fruin dat hij gekomen was. ‘Zij reikte de hand en ik nam eerbiedig mijn afscheid, vol bewondering voor zoo goed inzicht en zoo veel zorg. Blijkbaar geen zweem van zelfzuchtige bedoeling, geen gedachten aan haar eigen positie in den lande, als de dochter meerderjarig zal wezen. Alleen zorg dat de dochter voor haar moeilijke taak berekend zal zijn, als het tijd is, en dat deze dan ten toestand van land en volk zoo zal vinden dat het regeeren niet al te zwaar vallen zal.’

  

Afbeeldingen:

(1) Willem van Oranje, portret van Antonie Mor, ca. 1554-1555. Museumlandschaft Hesse-Kassel; Gemäldegalerie Alte Meisters. 

(2)  Ruiterstandbeeld van Willem van Oranje, voor Paleis Noordeinde. Fotograaf: Loek Tangel, 2003. Copyright: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Bron: Wikipedia.

(3) Robert Fruin, 1879.