Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Fragment uit Emma - Hoedster van Wilhelmina’s erfenis


'…majestueus in voorkomende gevallen, een goede (maar mijns inziens te drilzuchtige) moeder en eene voortreffelijke echtgenoote, die het voorrecht om Koningin te zijn duur betaald heeft maar ook zonder klagen en met de meeste toewijding moeielijke en zware dagen doorleefd heeft. Eene vrouw van karakter, met één object steeds voor oogen, het hooghouden van de Koninklijke waardigheid.'

  

In 1907 nam Maarten Iman Pauw van Wieldrecht ontslag uit de dienst van koningin Emma. De voormalige koningin-regentes was in augustus 1898, na inhuldiging van haar dochter Wilhelmina, aan een eigentijds vervroegd pensioen begonnen en vulde sindsdien haar dagen met representatieve taken en liefdadigheidswerkzaamheden. Pauw verliet zonder conflict het huishouden van koningin Emma, maar de wat steile ‘heer van stand’ had in zeven jaar tijd aardig wat grieven opgespaard. In een aanzet tot autobiografie schreef hij zijn weinig positieve herinneringen van zich af. Het incomplete manuscript werd door zijn erfgenamen veilig opgeborgen voor ogen die het wel eens verkeerd konden interpreteren.

De voormalig kamerheer wilde een objectief beeld schetsen van de vrouw die hij goed had leren kennen, maar voor buitenstaanders een ‘samengestelde amalgaam’ was gebleven ‘waarin het moeielijk is de grondtoon te vinden’. Naar eigen gevoel had Pauw als kamerheer bijna zeven jaar de gelegenheid gehad om koningin Emma van nabij te leren kennen en een ‘vrij juist oordeel’ te vormen ‘aangaande de Vrouw ter wier eere de loftrompetten onvermoeid geschald hebben’.

Hij had koningin Emma gediend totdat persoonlijke omstandigheden tot een overmachtssituatie leidden waardoor hij zonder sociaal gezichtsverlies ontslag kon nemen: in 1906 verwoestte een brand een groot deel van zijn kasteel Broekhuizen nabij Leersum. Als vader van een gezin met opgroeiende kinderen en plaatselijke heer had hij de jaren daarvoor een gejaagd leven geleid. ’s Ochtends deed hij vaak zijn dienst bij koningin Emma, ging snel per trein en auto naar huis, om ’s avonds weer present te zijn bij de veeleisende koningin-weduwe. De eerste periode van zijn herwonnen vrijheid gebruikte Pauw om wat herinneringen op schrift te stellen.

Pauws impressie van koningin Emma, ‘in het kort uitgedrukt’: ‘Eene parvenue, ontzettend ambitieus, beredeneerd, dril- en heerszuchtig, bemoeial en nieuwsgierig, met een gewone dosis goed verstand, met een vriendelijke inborst die echter, wanneer haar eigenbelang in het spel komt, geheel op den achtergrond kan worden geschoven. Van aard gierig, kwalijk nemens en zeer egoïstisch. Daarentegen echter hoogst praktisch, onvermoeid werkzaam, minutieus, zeer leergierig, vol van plichtsbesef, courageus en kranig, nooit tegen vermoeienissen noch last opziende, wanneer zij meent dat zulks voor het een en ander van belang kan zijn, majestueus in voorkomende gevallen, een goede (maar mijns inziens te drilzuchtige) moeder en eene voortreffelijke echtgenoote, die het voorrecht om Koningin te zijn duur betaald heeft maar ook zonder klagen en met de meeste toewijding moeielijke en zware dagen doorleefd heeft. Eene vrouw van karakter, met één object steeds voor oogen, het hooghouden van de Koninklijke waardigheid.’

Het was niet zozeer de persoon van koningin Emma waar Pauw moeite mee had. Hij maakte zich vooral druk over hetgeen zij met haar opstelling had aangericht. Omdat alles steeds had gedraaid om de twee koninginnen had zij de hoge sociale standen van zich vervreemd en daardoor draagvlak voor het koningschap aangetast. De ongenaakbare Emma eiste volgens Pauw dat iedereen – ongeacht sociale stand, leeftijd en lichamelijk gebrek – zich schikte naar de wensen van de koningin. Een te laat aangevraagde audiëntie werd afgestraft met een hautaine houding; in strijd met de gangbare conventies negeerde zij opzettelijk mensen bij publieke aangelegenheden. Koningin Emma was zeven jaar lang altijd vriendelijk voor hem geweest, maar zijn ontslagname werd op soortgelijke wijze afgestraft. Pauw beklaagde zich hierover bij S.M.S. de Ranitz, sinds 1903 grootmeester van koningin-weduwe Emma. Kort daarop werd hij te dineren gevraagd en ‘nu zeer heusch behandeld’.

De voormalig kamerheer was waarschijnlijk minder objectief over zijn ‘hooge gebiedster’ dan hij beoogde, maar zijn vaak puntig verwoorde opmerkingen bevatten veel rake observaties die ook in andere bronnen zijn terug te vinden. Koningin Emma zag zichzelf primair als degene die vanaf 1890 de erfenis van Willem III moest beheren voor haar dochtertje tot aan haar juridische meerderjarigheid. Het hooghouden van de koninklijke waardigheid was een belangrijk onderdeel van deze erfenis.

Maarten Iman Pauw van Wieldrechts herinneringen geven tegelijkertijd een mooi inkijkje in de wereld waarin koningin Emma had moeten functioneren als regentes. Terecht beschreef hij koningin Emma als een vrouw die in 1879 uit haar eigen milieu was gehaald. Zij droeg dan wel de titel van prinses, maar haar vader stond aan het hoofd van een klein, eenvoudig en betrekkelijk nederig Duits vorstendommetje. Emma was als eenvoudig meisje opgegroeid zonder notie van het ‘wereldsche principe van het koningschap’. Pauw vond dat zij meer op haar plaats was geweest en meer geluk had gekend indien zij met een man van haar eigen stand en leeftijd was getrouwd. In Pauws ogen had de ambitieuze Emma echter doelbewust gekozen voor de koninginnentitel en daarvoor een hoge prijs moeten betalen. In 1879 had hij haar intrede zien doen in Nederland met een glimlach op haar gezicht. Door de jaren heen was deze glimlach een onderdeel van haar ‘toilet’ geworden, een verlengstuk van de hoed die zij bij publieke gelegenheden opzette. Door veel ‘outsiders’ werd de stereotiepe glimlach als innemend en lieflijk ervaren. In werkelijkheid was het een grimas die verveling moest verbergen als Emma tijdens haar ‘corvee’ de buitenwereld deed voorkomen dat de meest oninteressante zaken haar het grootste belang inboezemden.

Emma toonde daarmee ogenschijnlijk voor het eerst het gezicht van de moderne, representatieve monarchie: de gesprekspartner moet van een koninklijk persoon het gevoel krijgen dat hij of zij belangrijke maatschappelijke taken vervult. Ook koningin Sophie, Emma’s directe voorganger als koningin-echtgenote van Willem III, muntte echter al uit in vriendelijkheid, voorkomendheid en het tonen van interesse bij het uitoefenen van haar representatieve taken.

Tijdgenoten binnen de hoogste stand zagen het verschil tussen koningin Sophie en koningin Emma. Ogenschijnlijk leken het twee Duitse prinsessen die zich allebei geliefd wisten te maken in Nederland. Sophie was echter door haar ambitieuze vader, koning Wilhelm I van Württemberg, getraind voor een rol op hoog koninklijk niveau. Zij had een ongewoon goede educatie gekregen en was van jongs af aan gewend om op gelijkwaardige wijze om te gaan met personen van hoog sociaal en politiek kaliber. Geboren en getraind als koningsdochter dwong Sophie een vanzelfsprekend respect als koningin af. Pauw van Wieldrecht zag haarscherp in dat Emma deze achtergrond niet had en wat daarvan de consequenties waren. Emma trok een ondoordringbare, onzichtbare muur op tussen het koningshuis en de hoogste sociale standen. Zij vertoonde zich niet in de Haagse society en nam een hooghartige, rancuneuze houding aan tegenover iedereen die onvoldoende égards leek te hebben voor haar koninklijke waardigheid.

‘Om de eer te genieten Koningin Emma te ontmoeten moesten alle dames ook de oudere die wegens gevorderde leeftijd of wegens gebrek aan fortuin of om welke reden ook niet meer in de wereld gingen, zich gehaasten op de hoffeesten te komen: anders was H.M. niet genaakbaar.’ Het gevolg bleef niet uit. ‘Waar ten eenenmale alle etiquette ontbrak, werd een onbeschrijflijke stijfheid geboren, die tegenover de buitenwereld imponeeren moest, maar door de meer doorzichtigen vrijwel bespot werd.’ Veel dames wensten bovendien ‘met de hun toekomende consideratie behandeld te worden’ terwijl koningin Emma oprecht niet wist wie precies ‘volgens onze begrippen hoffähig waren of niet’. Uit protest staakten velen hun aanvragen voor audiënties. Koningin Emma wenste op haar beurt als koningin niet gelijkwaardig te zijn met de society-dames en ging daarom over tot een politiek van ‘afzonderen’. De leden van de hogere standen hielden de gelederen voor de buitenwereld gesloten. Hun code bepaalde dat iedereen van goede geboorte de verplichting had zich om de troon te scharen. Publiekelijk gebeurde dit terwijl binnenskamers menigeen zo zijn eigen gedachten had. Pauw keek daarom in 1907 terug op een deels mislukt regentschap. ‘Ware Koningin Emma een “Grande Dame née” geweest dan ware het haar mogelijk geweest het goede dat zij wilde, n.l. het omhoog brengen van het Hof dat door het gedrag van Koning Willem III vrijwel “herunter” gekomen was, door te voeren en had zij heel wat meer tot stand kunnen brengen dan zij gedaan heeft.’

Afgesloten van de buitenwereld kreeg koningin Emma volgens de standsbewuste Pauw waanideeën. Zich gedragend als een persoon die méér was dan een gewoon sterveling sloot zij zich af van geschikte mensen die haar persoon en het instituut koningschap hadden kunnen dienen. De koningin omringde zich met oudgedienden die door en door betrouwbaar waren, maar niet altijd even geschikt waren voor een representatieve functie aan het hof. De sjah van Perzië zag de hofdames van koningin Emma aan voor de harem van Willem III. Wat betreft de oosterse vorst waren alle dames aan vervanging toe. Emma behield ze echter tot aan hun overlijden. Zonder gevoel voor de juiste sociale verhoudingen behandelde de veeleisende koningin Emma bovendien erefunctionarissen als goedkope bedienden en stelde hen ook nog eens ‘indiscrete vragen’. Voor een standsbewuste man als Pauw, stammend uit een eeuwenoud en voornaam geslacht, was dit pijnlijk.

Een deel van de verklaring voor Pauws persoonlijke rancune kan gezocht worden in het feit dat hij als zo’n goedkope dienaar veel harder moest gaan werken dan gebruikelijk was geweest voor een erefunctie als kamerheer. Bovendien dacht hij onderdeel te gaan uitmaken van een ongedeeld, bruisend hof van de koninginnen Wilhelmina en Emma tezamen. Bij zijn aanstelling was hem niet verteld dat koningin Wilhelmina op het punt stond te trouwen en dat Emma’s hofhouding daarom fysiek gescheiden zou worden van die van haar dochter. De eerste paar maanden gingen voorbij in een roes van feestelijkheden. Daarna trof Pauw zich zelf aan in het naar zijn mening donkere en smaakloos ingerichte paleis aan het Lange Voorhout waar koningin Emma een rustig leventje wenste te leiden. Pauw keek met jaloezie naar het hof van Wilhelmina aan het Haagse Noordeinde. Hij wist echter niet precies wat daar gebeurde want het was haat en nijd tussen de leden van de twee hofhoudingen. Bovendien werden aan Emma’s nieuwe hof openvallende vacatures niet ingevuld. De reeds aangestelde personen moesten onverwachts dubbele uren gaan draaien en meer taken gaan vervullen dan was afgesproken. Met leedvermaak beschreef Pauw hoe echte personeelsleden al snel werden ontslagen omdat zij zich rijk gestolen hadden en na verwijdering niet meer vervangen werden. Een onbetaalde kamerheer als Pauw moest daarom hard werken. Ook de belangrijke positie van hofmaarschalk was aan sociale inflatie onderhevig. ‘Vroeger was die betrekking een eereambt, maar onder Koningin Emma is het tot een dienstbode betrekking verlaagd en eenvoudig ondoenbaar geworden voor iemand, die een sprankje eergevoel heeft.’

Uit Pauws gedetailleerde beschrijvingen doemt een beeld op van een koningin-weduwe die niet wist hoe het hoorde en daarom een kitscherige show maakte van oude tradities en etiquettevoorschriften. Naar eigen gevoel was Pauw zeven jaar lang een fraai aangeklede figurant in livrei geweest binnen een minihof dat was afgesneden van de grotere wereld.

Zo ging bijvoorbeeld de wekelijkse gang naar de kerk gepaard met veel ceremoniële plechtigheid. Het werkte bij de modern ingestelde Pauw op de lachspieren. Helaas was het juist zijn plicht om zijn gezicht in de plooi te houden. Op een zekere dag was Pauw ziek en prompt lastte Emma de gehele kerkgang af. Het ergste vond Pauw nog wel dat Emma zelf zo weinig kon, maar het werk van anderen voor dat van haar zelf liet doorgaan. Met name op de inspanningen van particulier secretaris en vervolgens grootmeester S.M.S. de Ranitz, ‘de groote man van het hof’, werd naar zijn mening geparasiteerd.

‘Rad met de pen, van buitengewoon helder verstand en goed kunnende stellen, was De Ranitz de man zonder den welken Koningin Emma niet lang had kunnen ophouden, de reputatie altijd “saying and doing the right thing at the right moment”. Alle redevoeringen, alle antwoorden op adressen enz. die de K.M. verplicht was te houden of te geven waren door De Ranitz opgemaakt en menigmaal mocht hij zonder te lachen van het publiek vernemen dat de K.M. toch zóó veel talent had en zóó ad rem kon spreken, wanneer H.M. zijnen eigen gedachten of pennevruchten genadig ten beste gaf.’ Zo had Pauw van Wieldrecht tijdens een bezoek aan Londen meegemaakt dat koningin Emma onverwachts een dankbetuiging nodig had. Per brief werd De Ranitz, die zich in Den Haag bevond, gevraagd om een mooi stuk op te maken. Dit werd per omgaande opgesteld, per ijlbode de Noordzee overgebracht, door een hofdame gekopieerd en door koningin Emma ondertekend, om het vervolgens met veel gebaar te overhandigen aan de Nederlandse gezant op het Britse grondgebied. Tot aan dit bezoek had Pauw van Wieldrecht de illusie gekoesterd dat ‘de K.M. althans iets zelve kon doen’. Pauw kreeg de taak om De Ranitz aan te schrijven en spontaan liet hij zich aan ‘Freule van de Poll’ ontvallen: ‘Ajasses!’

De herinneringen van de meritocratische, maar toch zo standsbewuste Pauw vormen een venster naar een opmerkelijk tijdsbeeld. Als gevolg van technologische ontwikkelingen en sociale democratiseringsbewegingen was de standenmaatschappij aan modernisering onderhevig. Koningin Emma kon daarin volgens Pauw niet goed meekomen. De voormalig kamerheer was ongenadig in zijn karakterisering van koningin Emma, maar omschreef een reëel probleem: de handelingen van koningin Emma kwamen in de ogen van de leden van de hogere standen als onecht en parvenuachtig over omdat Emma zich in tegenstelling tot haar voorgangster Sophie geen houding wist te geven en zichzelf verborg achter een muur van etiquette en protocol. Pauws vaak felle meningen zijn een uiting van een standenmaatschappij die fors in beweging was. Het koningschap moest zich aanpassen aan de nieuwe tijd. De sociale hiërarchie binnen de standenmaatschappij was nog altijd sterk, maar koningin Emma wist zich niet goed als hoofd van de sociale piramide op te stellen en vervreemdde de hoogste stand van haar persoon.

Maarten Iman Pauw van Wieldrecht keek terug op een gevoelsmatige gevangenis van smaakloos ingerichte paleizen, stijfheid, doorgeslagen protocol en hypocrisie. De herinneringen gaan alleen over de tegenstellingen en niet over hetgeen Pauw en koningin Emma met elkaar gemeen hadden: een sterke sociale instelling en een barmhartige opstelling in woorden en daden ten opzichte van leden van de lagere standen. Bovenal werden koningin en kamerheer aan elkaar gebonden door een eerbesef. Pauws scherpe bewoordingen doen vergeten dat hij instemde met Emma’s missie: het hooghouden van de eer en het aanzien van de dynastie Oranje-Nassau. Impliciet blijkt uit zijn bewoordingen dat hij vond dat deze missie breder moest zijn: de Oranjedynastie had een bindende rol te vervullen binnen de aristocratisch georiënteerde samenleving die Nederland op dat moment nog was. (…)      

Pauw van Wieldrecht, afkomstig uit een oude patricische familie die pas laat in de adelstand was verheven, klaagde in feite dat koningin Emma de eenheid van deze aristocratische toplaag ondermijnde. Geëxploiteerd als dienstbode in plaats van in zijn waarde gelaten als erefunctionaris keek hij op negatieve wijze terug op zijn dienstverband bij koningin Emma, maar signaleerde iets dat ook bij de conservatieve politicus W.H. de Beaufort terugkomt: koningin Emma ‘begreep’ de verhoudingen binnen de Nederlandse aristocratie niet. Waar Pauw de voormalig regentes beschuldigde van egoïsme, karakteriseerde De Beaufort haar juist als een zeer belangeloze vrouw vol plichtsbesef. De conservatieve politicus was door haar in 1897 formeel benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken. Hij was één van degenen die, onder meer via achtergrondgesprekken met buitenlandse diplomaten, de loftrompet over Emma deed schallen. De Beaufort erkende dat Emma nooit de Nederlandse coteriegeest had begrepen en daarom koos voor de rol van een kritische toeschouwer. ‘Zij sloeg iedereen met groote aandacht gade, hechtte veel aan de uiterlijke houding, die in ons land, waar over het algemeen buiten de hofkringen een nogal vrije toon heerscht, haar niet altijd voldeed. Zij was Duitsch in sommige opvattingen, in haar liefde voor militaire vertooning en haar gehechtheid aan stipte orde. In de Nederlandsche zeden en maatschappelijke verhoudingen was veel dat haar vreemd voorkwam. Zij verwonderde zich wel eens over de côteriegeest van onze maatschappij, die dikwijls menschen uitsloot uit de groote wereld wier afkomst hun daarin een plaats had moeten geven, terwijl anderen zonder reden daarin werden opgenomen. Het Duitsche gevoel voor den adel als een bevoorrechte stand was haar echter vreemd. Ook onze vrijere wijze van opvoeding zonder eenige militaire discipline kon zij niet goedkeuren. Overigens gevoelde zij heel goed dat ons begrip van vrijheid ruimer was dan in Duitschland, en zij waardeerde dat.’

Anders dan De Beaufort was Pauw van Wieldrecht géén adviseur en vertrouweling van koningin Emma en beet hij in zijn herinneringen veel harder van zich af: de regentes had de belangen van de hoogste stand onvoldoende gediend. Pauw van Wieldrecht vond dat de dynastie Oranje-Nassau verplicht was om een spilfunctie te bekleden binnen de Nederlandse variant van het aristocratische systeem waarbinnen de adel zich belangrijker achtte dan het patriciaat, maar prestaties en netwerkcontacten een belangrijke rol vervulden. Zij had veel te weinig oog gehad voor de gevoelige sociale hiërarchische verschillen binnen de Nederlandse elite. Als regentes had zij bij het verlenen van audiënties de paleisdeuren wijd opengesteld voor ‘Jan Rap en zijn maat’. Op geboorte werd volgens hem niet meer gelet en leden van de soms eeuwenoude elite werden tot hun schrik plotseling als gelijken behandeld van departementsambtenaren.

Pauws deels impliciete beschuldiging was er één van egoïsme in de brede zin: het ging Emma vooral om het hooghouden van de eer van de eigen, aangetrouwde dynastie en zij hield te weinig rekening met de eergevoelens binnen de elite waarmee het koningshuis zich traditioneel omringde. Pauw van Wieldrecht vatte de missie van de Oranjes duidelijk breder op dan koningin Emma: de Oranjedynastie diende in sociaal opzicht de eerste onder de aristocratische families te zijn. De leden van de dynastie waren aan hun stand verplicht om de koninklijke waardigheid hoog te houden omdat zij een voorbeeldfunctie bekleedden als boegbeeld van de aristocratische families. Een sterk koningschap, met alle aristocratische families rond de troon verzameld, kon het Nederlandse natiegevoel versterken. In de ogen van Pauw van Wieldrecht had Emma het laatste gedaan met verlies aan eenheid binnen de Nederlandse elite.

Pauw was dan ook de eerste om te erkennen dat hij de ‘hooge positie’ apprecieerde die koningin Emma ‘door haar huwelijk met een ouden afgeleefden grijsaard had verkregen’. Hij vond Emma ook een goede moeder en was vol medelijden indien zij een betraand gezicht had. Hij wist op zo’n moment dat die treurige stemming haar enig kind betrof. Pauw verweet Emma echter dat zij Wilhelmina had meegetrokken in haar zelfgekozen isolement: de jonge koningin was tijdens haar opvoeding afgeschermd van haar leeftijdgenoten. Speelkameraadjes moesten minstens zes jaar jonger zijn en niemand mocht intiem worden met de jeugdige koningin die werd voorbereid op haar belangrijke taak in de wereld. Pauw van Wieldrecht zag met vreugde dat Wilhelmina zélf een eigen weg was ingeslagen. Zij was met haar huwelijk aan de sterke druk van haar moeder ontkomen, ging met haar echtgenoot Hendrik een eigen gang en ‘keurde alles af wat zij vroeger had moeten doen’.

De klacht van Pauw van Wieldrecht valt in één zin samen te vatten: bij gebrek aan sociale aansluiting binnen de Nederlandse elite ging Emma onvoldoende mee met de tijd en conserveerde daardoor achterhaalde gebruiken in plaats van ze in voldoende mate aan te passen aan de omstandigheden. Als zij werkelijk een geboren ‘grande dame’ was geweest, dan had zij veel meer tot stand kunnen brengen.

De missie van Emma was in de ogen van Pauw van Wieldrecht goed geweest: het aanzien van de dynastie van Oranje-Nassau versterken na de neergang onder Willem III. Pauw bleef haar daarom jarenlang dienen hoewel het basisvertrouwen voor een goede werkrelatie ontbrak. Pauw herinneringen nodigen uit om de relaties tussen de Oranjes en de sociaal-politieke elite nader te bekijken en daarbij te focussen op Emma’s regentschap.

  

Naschrift t.b.v. voor de website Hereditas Historiae: 

Zie de sectie "Irène Diependaal" voor een academische discussie die met de achterkleinzoon van Maarten Iman Pauw van Wieldrecht, jonkheer Maarten Stratenus, is gevoerd tijdens de academische verdediging van het proefschrift op 5 november 2013. Ingenomen hoofdstelling tijdens de verdediging (die zonder repliek is gebleven): Pauw's aantekeningen vormen een sleuteldocument om het leven en handelen van koningin Emma te begrijpen in haar eigen tijdsbestek en de concrete situatie waarin zij steeds situatiegericht bij herhaling moest handelen. Het document is daarom gebruikt voor de Inleiding van het boek/proefschrift hoewel de herinneringen geen betrekking hadden op het regentschap van koningin Emma, maar wel puntig een karakterisering van de persoon van koningin Emma weergaven die ook via andere primaire bronnen traceerbaar is. 

De familie Pauw (van Wieldrecht) behoort tot één van de oudste patricische geslachten in Nederland en diverse takken zijn in de negentiende eeuw, na de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in de adelstand verheven. In de periode van de Republiek der Verenigde Provincies was er geen opname in de adelstand mogelijk. In de negentiende eeuw, met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden, vond daarom een inhaalslag plaats voor families die konden aantonen dat hun familie tijdens de Republiek minstens drie generaties hadden gediend in belangrijke bestuurlijke functies of organen. De familie Pauw heeft vele belangrijke bestuurders geleverd. Adriaan Pauw was bijvoorbeeld raadspensionaris van Holland en speelde in 1648 een belangrijke rol bij de Vrede van Münster (die het einde van de "Tachtigjarige Oorlog" ofwel "Nederlandse Opstand" inluidde).

Ridder Maarten Iman Pauw van Wieldrecht nam ontslag als kamerheer in 1907, vlak nadat zijn landhuis Broekhuizen te Leersum getroffen was door een grote brand. Dit landhuis bestaat in heropgebouwde vorm nog, maar is niet meer eigendom van de familie Pauw van Wieldrecht of Stratenus en heeft sinds een omvangrijke restauratie een hotelfunctie in de luxe sector. 

Paleis Lange Voorhout in Den Haag is tegenwoordig een museum, gewijd aan de kunstenaar Maurits Esscher. De sfeer van koningin-moeder Emma is indirect aanwezig omdat in een vertrek meubelstukken zijn geplaatst die vroeger in het winterpaleis van Emma stonden in de periode dat zij als koningin-moeder in de nabijheid van haar dochter woonde. Bovendien zijn in het museumpand nog altijd wandbetimmeringen aanwezig die afkomstig waren uit een rijk gedecoreerd huis aan het Noordeinde waar in de negentiende eeuw het Koninklijk Huisarchief was gehuisvest voordat het huidige pand van het Koninklijk Huisarchief in gebruik werd genomen. De redenen dat koningin-regentes Emma een nieuw pand voor het Koninklijk Huisarchief liet verrijzen naast Paleis Noordeinde: die zijn door Irène Diependaal gereconstrueerd in Emma - Hoedster van Wilhelmina's erfenis. De sfeer van Paleis Lange Voorhout in de tijd van koningin-moeder Emma is gereconstrueerd in een zwaar geïllustreerd boek van René Cleverens uit 1994: Paleis Lange Voorhout. Het is als e-book verkrijgbaar via de website van René Cleverens (www.cleverensboeken.nl). Maarten Iman Pauw van Wieldrecht heeft, anders dan de ongehuwde hofdames van koningin-moeder Emma nooit in het paleis gewoond. Blijkens onderzoek van jonkheer Maarten Stratenus verbleef zijn overgrootvader in hotels in de weken dat hij dienst had bij de koningin-moeder en woonde in Broekhuizen in de periodes dat hij geen dienst had.


Afbeeldingen:

Maarten Iman Pauw van Wieldrecht in (ceremonieel) dienstuniform. Copyright: Maarten Stratenus.

Koningin(-moeder) Emma twee jaar na aftreden. Ansichtkaart, 1900. Collectie Koninklijke Bibliotheek/Geheugen van Nederland.Volgens de officiële stukken werd Emma na haar huwelijk en tot de dood van Willem III aangeduid als "koningin-echtgenote", tijdens het regentschap (waaraan een formele procedure aan te pas kwam die in het boek wordt beschreven) als "koningin-regentes" en na de inhuldiging van koningin Wihelmina als "koningin-moeder". Dit is conform de internationale gebruiken.

Prinses Emma van Waldeck-Pyrmont voorafgaand haar huwelijk. Fotograaf: onbekend. Open domein.

Prinses Sophie van Württemberg met juwelen afkomstig uit het bezit van haar moeder, Catharina Pavlovna, een Russische tsarendochter. Portret uit 1839, het jaar van haar huwelijk met de latere koning Willem III, geschilderd door Carl Leybold. Bron:Wikipedia.

Koningin-echtgenote Emma. Ansichtkaart uit 1887. Collectie Koninklijke Blibliotheek/ Geheugen van Nederland. De foto was al eerder gemaakt en behoort tot de foto's die in Groot-Brittannië zijn gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk van Emma's zusje Helena met een zoon van koningin Victoria. Koningin Emma draagt in fotoserie de "Stuart-diamant". Hier is hij onderdeel van een collier. 

Dubbelportret Emma & Wilhelmina. Ansichtkaart. Collectie Koninklijke Bibliotheek/Geheugen van Nederland.

S.M.S. De Ranitz. Ongedateerde foto. Fotograaf: onbekend. Collectie RKP.

Koningin Sophie. Portret door Franz Xaver Winterhalter, 1863. Bron: Wikipedia.

W.H. de Beaufort. Tekening: H.J. Haverman, 1900. Collectie Koninklijke Bibliotheek/Geheugen van Nederland.

Koningin Wilhelmina op minderjarige leeftijd. ANP fotoarchief.

Broekhuizen na verbouwing tot hotel. Foto: Irène Diependaal.

Uitzicht vanuit de achterzijde van landgoed Broekhuizen. Foto: Irène Diependaal.