Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Wilhelmina's inhuldiging



Nicolaas van der Waay (1855-1936), die ook de panelen voor de Gouden Koets schilderde, voltooide dit schilderij in 1899. Copyright: Stichting Historische Verzamelingen van Huis Oranje-Nassau/Koninklijk Huisarchief.


Koningin Wilhelmina legde - in de Nieuwe Kerk te Amsterdam - de eed op de Grondwet af. 6 september 1898. Emma's taak kwam daarmee formeel ten  einde: de kostbare Oranje-erfenis was overgedragen en haar dochter was grondig voorbereid op haar taak.

In haar rede tot de Verenigde Staten-Generaal liet koningin Wilhelmina nadrukkelijk weten dat zij in de voetsporen van haar vader wilde treden. Zij herhaalde daarbij wat onderwijzer Gedeking haar in 1887 had ingeprent. ‘Reeds op jeugdigden leeftijd heeft God mij door het overlijden van mijnen onvergetelijken Vader tot den Troon geroepen, dien ik onder het zoo wijze en zegenrijke Regentschap mijner innig geliefde Moeder beklom. Na de vervulling van mijn achttiende levensjaar, heb ik de regeering aanvaard; mijne proclamatie heeft dit aan mijn dierbaar Volk bekend gemaakt. Thans is de ure gekomen, waarin ik mij, te midden van mijne trouwe Staten-Generaal, onder aanroeping van Gods heiligen Naam, zal verbinden aan het Nederlandsche Volk, tot instandhouding van zijn dierbaarste rechten en vrijheden. Zoo bevestig ik heden den hechten band, die tusschen mij en mijn Volk bestaat, en wordt het aloude verbond tusschen Nederland en Oranje opnieuw bezegeld. Hoog is mijne roeping, schoon de taak, die God op mijne schouders gelegd heeft. Ik ben gelukkig en dankbaar, het Volk van Nederland te mogen regeeren, een volk klein in zielental, doch groot in deugden, krachtig door aard en karakter. Ik acht het een groot voorrecht, dat het mijne levenstaak en plicht is al mijne krachten te wijden aan het welzijn en de bloei van mijn dierbaar Vaderland. De woorden van mijnen beminden Vader maak ik tot de mijne: “Oranje kan nooit, ja nooit genoeg voor Nederland doen”. Bij de vervulling van mijne taak heb ik uwe hulp en medewerking noodig, Mijne Heeren, leden der Volksvertegenwoordiging; ik ben overtuigd dat gij mij die in ruime mate zult verleenen. Laat ons samen arbeiden voor het geluk en den voorspoed van het Nederlandsche Volk. Dat zij ons aller levensdoel! God zegene uwen en mijnen arbeid, dat hij strekke tot heil van ons Vaderland.’

Volgens J.W.M. Schorer, in zijn positie als vicepresident van de Raad van State aanwezig in de Nieuwe Kerk, maakte Wilhelmina’s ‘uitmuntende’ rede grote indruk. Iedereen werd getroffen door de wijze waarop zij haar persoonlijk opgestelde rede uitsprak. ‘De volle, klankrijke, duidelijke stem, die op iedere lettergreep den juisten toon deed vallen, klonk als prachtige muzijk door de groote kerk, waar men eene speld zou hebben kunnen hooren vallen, en eene rilling ging door allen toen de mooie hand hoog werd opgeheven en zij de sacramentele woorden onder inroeping van Gods naam uitsprak. Ik geloof niet, dat er veel menschen in de kerk waren, wien niet de tranen van aandoening in de ogen stonden. Ook ik zelf had veel moeite mij goed te houden, zoozeer werkte dit schoone schouwspel op de zenuwen en vooral als men nagaat wat het lot van zoovele idealen zijn kan, van zoovele voornemens en geloften. En toch alles, wat zij zeide was zoo goed gemeend.’ Voor de genodigden van de sociale en politieke elite herhaalde Wilhelmina haar intentie. ‘Na het diner sprak de koningin allen aan. Ik heb haar gezegd (zooals trouwens velen zullen gedaan hebben) welk een diepen indruk haar rede ’s morgens gemaakt had en zij zeide mij: “Werkelijk ieder woord heb ik gemeend en mijn levensdoel zal zijn ieder woord tot waarheid te maken”’.


De 18-jarige Wilhelmina tijdens de inhuldigingsceremonie in de Nieuwe Kerk. Aan haar linkerkant zit koningin-moeder Emma. Uitgever: A.M. Amiot, Den Haag. Verzameling prentbriefkaarten Koninklijke Bibliotheek. Bron: Het geheugen van Nederland.