Hereditas Historiae

Website hosted by Irène Diependaal to foster some historical knowledge necessary to understand our present times

 

Fragment uit Emma. Hoedster van Wilhelmina’s erfenis

 

‘'De  Koning verveelt zich schromelijk & H.M. is van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op straat ik geloof tot grote ergernis van haar gemaal & ik vind het ook zeer weinig koninklijk zoo overal in te kruipen, maar de Burgemeester van Amsterdam die niet vrij te pleiten is van indringerigheid haalt haar overal heen en H.M. laat zich meêtronen door den eersten den besten die er slag van heeft. Over ’t geheel genomen is niet alles recht vorstelijk ingericht en er is ook niemand die enige goede leiding geeft. ’t Is treurig maar ’t is een vorstenhuis en decadence en in de toekomst zal ’t nog veel erger worden. Ik benijd B. die hier bij mij was & die er met een mooi pensioen uit is, ik wenschte dat ik met hem kon ruilen. Maar wat zal ik u met mijn klachten vervelen, ik troost mij met de gedachte ik er voor betaald word, maar ‘t aureole van het koningschap is er geheel af, waarlijk hier zou ’t even goed & beter misschien, met een republiek kunnen doen, over weinige jaren zullen wij toch feitelijk een republiek hebben & dat nog met een president of presidente die er mijns inziens laatst geschikt persoon voor is.’

 

Koninklijk particulier secretaris S.M.S. de Ranitz wond er in 1885, in een brief aan zijn echtgenote, geen doekjes om: Nederland had een vorstenhuis en decadence en het zou alleen maar erger worden. Door de jaren heen had hij in zijn brieven aan zijn echtgenote al vele frustraties van zich af geschreven over het weinig aangename leven aan het hof van koning Willem III. De meritocratisch ingestelde De Ranitz was een man van relatief eenvoudige komaf die dankzij een militaire carrière vooruit was gekomen in het leven. Hij nam een hofbetrekking als ordonnance officier aan in de hoop dat hij in de toekomst zou kunnen gaan dienen bij het regiment ‘Grenadiers en Jagers’. Dit was vanouds het keurcorps binnen het Nederlandse leger.

De functie van ordonnance officier betekende echter aanwezig zijn in de omgeving van de koning zonder veel om handen te hebben. Voor de intelligente De Ranitz was dit een ware kwelling. Bovendien had hij snel last van heimwee en kon hij het niet op prijs stellen dat het hof zich regelmatig buiten Den Haag verplaatste. Binnen het Loo kreeg hij tenminste ‘een ordentelijke kamer en ordentelijke wasgelegenheid’ waar hij zijn kleren kon uitpakken en opbergen. In Amsterdam was echter alles ‘hoogst primitief & gebrekkig’. Zijn echtgenote, eveneens van eenvoudige komaf, had daarnaast weinig begrip voor het leven dat De Ranitz aan het hof moest leven. Het was een poppenkast met ‘aanhoudend verkleeden en rondlummelen.’ De Ranitz kon goed begrijpen dat de koning er niet veel plezier in had, maar híj kon zich er tenminste in troosten ‘dat hij er voor betaald wordt, en naar mij voorkomt, zelfs beter dan ik.’

In een eindeloze reeks van brieven probeerde De Ranitz zijn echtgenote ervan te overtuigen dat het om financiële redenen verstandig was om aan het hof te blijven. Hij wilde zijn kansen op promotie naar de ‘Grenadiers en Jagers’ ook niet voortijdig blokkeren. Vanaf oktober 1881 kreeg De Ranitz als tweede particulier secretaris de kans om zijn talenten beter te ontplooien. Hij besefte heel goed dat hij naar voren werd geschoven omdat hij als een van de weinigen veel gedaan kreeg bij de koning, maar aan het hof was het niet moeilijk om níet de domste te zijn, ‘het zijn juist niet de knapste menschen, die aan men aan een Hof plaatst, en zijn ze knap dan verstompt dat leven, de goedheid en het egoisme die verstandelijke ontwikkeling spoedig genoeg.’ Over de meeste van zijn collega’s met militaire achtergrond dacht De Ranitz weinig positief: tevreden met zichzelf, adoratie van hun positie, ijdel en adeltrots. Bovendien bleef een stuk frustratie over zijn eentonige leven dat voornamelijk achter de schrijftafel werd doorgebracht.

In zijn brieven aan zijn echtgenote schreef De Ranitz vooral zijn ongenoegen over zijn koninklijke bazen van zich af. Na drie maanden kreeg hij spijt dat hij particulier secretaris was geworden: het leven met de humeurige koning was waarlijk geen leven. Ook tegen de hofdames van zijn echtgenote was Willem III zodanig onaangenaam dat zij ontslag wilden nemen. Zijn dochtertje was waarschijnlijk niet veel beter. ‘De Koning ging rond met het prinsesje; ze zei “dag mijnheer” tegen iedereen. Dat deed het kind heel aardig, ge zoudt gedacht hebben, vader en dochter gelijkelijk zachtaardig. Maar helaas.’ Koningin Emma was vriendelijk tegen hem, maar hechtte zich veel te veel aan haar familie. Na verloop van tijd gaf hij het op ‘die vrouw te begrijpen’, want hij kwam er toch niet verder mee. Veel waardering kon hij niet voor haar hebben. De Ranitz gaf de voorkeur aan de koningin van België: ‘zij is een echte koningin in houding & manieren, uiterlijk en alles en maakt die impressie op een ieder’.

De organisatorisch sterke De Ranitz ergerde zich vooral tijdens de reizen naar Emma’s ouderlijk huis. ‘Z.M. zegt niet veel, en H.M. stuurt alles zoveel mogelijk in haar vermogen in de war. Het is met recht een huishouden van J. Steen en dat alles wekt mijn ergernis op, zooals het op alle reizen tot nog toe gedaan heeft.’ Het hof van Emma’s ouders wekte nóg meer weerzin op. ‘Gisteren avond hadden wij nog een afscheidsdiner, het is treurig en ergerlijk om te zien hoe men daar ginds er Z.M. exploiteert & en op zijne beurs aast, ik geloof dat men in die familie dood arm is en bij het huwelijk alles opofferde om een rijke schoonzoon te lokken of te verlokken. De geheele familie leeft er geloof ik van, er zou een comediestuk van te schrijven zijn. De vorst heeft mij een hoogere orde van decoratie verleend, ik ruil nu een zilver kruis tegen een email, ’t is aller vriendelijkst maar onder ons gezegd kan het mij niet veel schelen.’

De kritische De Ranitz verwoordde wat in mildere bewoordingen ook elders te vinden is. Formeel was het huwelijk tussen koning Willem III en Emma van Waldeck-Pyrmont ebenbürtig, maar de sociale, politieke en economische situatie van de twee vorstendommetjes Waldeck en Pyrmont was niet te vergelijken met het koninkrijk Württemberg. Een eeuwenlange sterke huwelijkspolitiek stokte in 1878 en velen vreesden voor de consequenties in een tijd dat het Duitse keizerrijk zich in toenemende mate imperialistisch opstelde terwijl de continuïteit van de Oranjedynastie aan een zijden draadje hing. Ongeacht de kwaliteiten van de vrouw was Waldeck-Pyrmont niet de internationale koninklijke dynastie die de ministers beoogd hadden toen zij een aantal jaren eerder nadrukkelijk de voortzetting van de Oranjedynastie op de politieke agenda hadden gezet. De koning was in 1878 echter verliefd en had het zo zeer naar zijn zin binnen het eenvoudige familieleven van de prinselijke familie dat een huwelijksaanzoek niet kon uitblijven. De ambitieuze ouders namen het aanbod graag aan en in de eerste jaren waren diverse hofdignitarissen blij dat de koning tot rust kwam. Niet alle zorgen waren daarmee verdwenen. Willem III bleef namelijk wat hij in essentie was: een moeilijke, autoritaire man die gewend was dat alles om hem draaide en zijn slechte humeur botvierde op zijn omgeving.


  

Afbeeldingen:

(1) S.M.S. de Ranitz (1846-1916). Fotograaf: Adolphe Zimmermans. Bron: Wikipedia.

(2) S.M.S. de Ranitz (1846-1916). Fotograaf: onbekend. Bron: Wikipedia.

(3) S.M.S. de Ranitz (1846-1916), geschilderd door Pieter de Josselin de Jong. Bron: Wikipedia.